Pageviews van de afgelopen week

woensdag 15 april 2026

TWEE DIKKE DAMES ...

Van een zeer creatieve en ook sportieve kennis, Henk, kreeg ik een recent door hem geschilderd werk toegestuurd. Dat deed hij niet zomaar. We spraken elkaar op de sportschool. Ik klaagde daar min of meer over mijn gebrek aan inspiratie. Toen Henk dat hoorde kreeg hij het idee om mij zijn laatste schilderij toe te sturen en mij te vragen er een tekstje bij te verzinnen.


Inmiddels kijk ik nu al ruim 24 uur naar dat werk maar iets grappigs wil me niet te binnen schieten.

Zo zonder woorden is het schilderij al een vrolijke boel, waarin twee volslanke, bijna obesitas dames de een blank de ander bruin het strandbadje uit en het strandje  op huppelen, met ieder een rode tulp in de hand. Ze lijken door te draven naar de uitgestrekte maar verlaten zonneweide.

Achter het weghuppelende duo, nog in het strandbadje, staren een rode en twee kleine oranje tulpen, steunend op hun wortels, de huppelende dames na.

 Liggen daar, verderop op het strandje (onzichtbaar), enkele dikke dames, uitgeteld, met geknakte tulpenstengels, vòòr die ‘tweevrolijkhuppelendedames.com

 Dan zegt de grote rode tulp in het badje tegen de kleinere:

 (Hier blijven! Doen we niet aan mee).

 Hardlopers zijn doodlopers.

 De grote rode tulp van het triootje in het badje, is  een gecamoufleerde videocamera van het bloemenparadijs Keukenhof. De camera betrapt de dieven op heterdaad

‘Tulpendieven op de vlucht’.

De paus krijgt elk jaar met Pasen ‘tulpen uit Amsterdam’. Deze twee tulpen (uit Rotterdam) moeten daar ook nog bij. De sportieve dames proberen de vracht naar Rome nog te achterhalen, al roepende:

Leo, Leo, two red tulips from hiero.

Ik laat het hierbij en sta open voor suggesties van lezers. Let me know.

  

Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com


dinsdag 14 april 2026

ZO AF EN TOE ...

Ik heb een appje gekregen van iemand die me ernstig wil waarschuwen. Hij zegt dat hij schrijft onder het pseudoniem N. Connu. Al vele jaren leest hij mijn stukjes Stukjes die worden geschreven onder de naam Jeejeepee.

Het gaat inmiddels om bijna 2.500 stukjes, waarvan de meest gezellig en onderhoudend zijn. Maar een flink aantal van die stukjes zijn volgens meneer Connu ronduit beledigend en beschadigend voor de personen waar Jeejeepee over scheef.

Mijn verhaaltjes zijn, vooropgesteld, niet altijd 100% waar. Dat meld ik ook boven elk stukje. ‘Stukjes berusten zo af en toe op waarheid'. De onderwerpen waar ik over schrijf emotioneren mij. Zou ik daar dan mee moeten stoppen? Tijdens het schrijven en na de publicatie stormt het soms wel in mijn hoofd om wat ik met mijn woorden te weeg breng.

In de bijna 20 jaar dat ik nu schrijf heeft één lezeres zich eens woedend tot mij gewend per voice-mail. Ik had, volgens haar leugens over haar opgeschreven. Dat stukje moest weg van face-book, waarin het gepubliceerd was. Als ik haar niet zou gehoorzamen zou ze me bij de politie aangeven. Daar schrok ik toen wel even van. Maar ik heb nooit overwogen om dat stukje weg te halen. Dat zou wat moois zijn. Waarom zou ik een enigszins emotioneel getint stukje niet mogen publiceren. Die halve gare Connu wil nu ook dat ik dat stukje weghaal of hij stapt namens die mevrouw naar de rechter. 

Een aantal mensen in mijn omgeving heeft zich ook gemeld bij Connu. Mensen vinden mijn opstelling abject: ik ben allergisch voor mensen met een ultrarechts mensbeeld. Ik zal hun namen nu niet noemen. Ze weten het zelf wel. Ik kan me de stupiditeit van die mensen niet voorstellen. En als ik oprecht overtuigd ben van de stomheid van iemand, waarom zou ik daar dan niet over mogen schrijven. Deze mensen willen blijkbaar alleen van mij lezen dat ‘meneer’ Trump en ‘meneer’Wilders bekwame politici zijn, met zinvolle ideeën voor de samenleving. Nee beste meneer Connu. Dat ga ik voor hun en uw lol dus niet doen.

Ook mijn weigering om ‘mongolen’ ‘mensen met het syndroom van Down’ te noemen wordt me niet in dank afgenomen. Haatmail, waar de honden geen brood van lusten ontvang ik, vuilnisbakzakken vol. Het populairste scheldwoord was ‘imbeciele kankerdebiel’.

Ook mijn naaste familieleden zijn verbolgen over de gevoelige onderwerpen die ik aansnijd. Hun bedplassen, hun stotteren, hun gierigheid, hun woonplaats, ik zou er alleen over schrijven om lollig te zijn, over hun rug heen. Was nooit mijn bedoeling. Connu heeft zo wel  een stok om mij mee  slaan.

 In spanning wacht ik de rechtszaken af.


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com


maandag 13 april 2026

GEWELDLOOS.

 Lucy (16), een van de meiden in de gemengde groep leerlingen van de vormingsschool, maakt het wel erg bont. Zij zit tegenover, meester Cees (24) en wroet met haar ontblote voetje tussen zijn benen. Ze zit zomaar zijn kruis te masseren! Hij krijgt het er flink benauwd van. Zo vlug als hij kan glipt hij bij de meiden weg en schuift bij de jongens, mannen bijna, aan; onder hoongelach van de dames.  De  ‘opwarm-sessie’ van met name Lucy heeft succes: zij kunnen weer doorgaan met waar zij dol op zijn: babbelen en optutten. 

Bij de jongens, ook allemaal zo rond de 16 jaar, gaat het er wat ruiger, dynamischer aan toe. Er wordt meer hardop gevloekt. Gesprekken worden afgewisseld met een beetje stoeien, de ene keer wat feller dan de andere keer.  Karel en Rene, twee schreeuwerige zielepiet-types, zitten elkaar een beetje te dollen. Ze imiteren een vechtscene uit een Kong-Fu film, die ze in het weekend zagen en Karel raakt Rene daarbij net iets te hard op zijn kin, waardoor de stoeipartij menens wordt. Cees springt er tussen; dat helpt wel maar niet zoals hij wil. Rene en Karel stoppen met hun vechtpartij maar nu richten ze hun agressie gezamenlijk op Cees. 

‘Jongens, stoppen nou,’ (ze zaten boven op hem: Karel wipt op en neer op Cees zijn borstkas; René zit op Cees zijn knieën. Hij kan helemaal niks).’Jongens ga nòù van me af en gauw’, smeekt Cees bijna. Hij heeft zich in feite al overgegeven. Maar ze gaan gewoon door. Ziekelijk.

Ik (23 collega van Cees), ben benieuwd of hij echt geweldloos zou blijven ... hij is tenslotte pacifist. Cees verdedigt zich voor geen meter. Dan vind ik het welletjes. Met zijn tweeën tegen een!?.

’Kappen!’ zeg ik. Ik móét me er nu wel mee gaan bemoeien. Zowel Rene als Karel weten dat ik absoluut niet bang voor ze ben. Ik grijp ze alle twee bij hun lurven en sleur ze van Cees af. 

‘Stelletje leipen! Willen jullie Cees dood hebben?’ Ik duw het tweetal weg. 

Die Karel zit een tijd lang met een krankzinnige blik in zijn ogen na te hijgen van zijn achterlijke gedrag. René lijkt wat meer schuldbewust. 

'Het leek wel of ik verlamd was’, zegt Cees later tegen me als hij weer wat bijgekomen is. Bedankt Jos.’

En de dames? Het geweld ging geheel aan hen voorbij. Zij kwekten en tutten er ondertussen lustig op los.

Cees meldde zich de dag na het gebeuren ziek. We hebben hem hier niet meer teruggezien. Hij wilde zelf geen contact meer met ons. Via via hoorden we dat hij als schoonmaker is gaan werken in een psychiatrische inrichting in Rhoon. Ik hoop dat hij daar net zo’n reddende engel treft als hij hier aan mij had anders zou het wel eens helemaal verkeerd met hem kunnen aflopen.

 

(Uit mijn verre R'damse verleden)


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com


zondag 12 april 2026

MARATHON ROTTERDAM 2026

Vandaag wil ik in ieder geval naar de marathon 2026 van Rotterdam gaan kijken. Van mijn huis uit is het bijna één rechte weg, kwartiertje lopen, naar de Boszoom waar de lopers een belangrijk kilometerpunt passeren. Ik wist dat niet, maar ik zie vrijwel alle lopers op hun horloge kijken, als ze over een oranje wegmarkering lopen. Bij sommige lopers zie ik dan op hun gezicht een glimlach verschijnen bij anderen een grimas. Dan weet ik wel hoe laat het is: ‘te laat, te vroeg of precies op tijd’.

Wat me zo aan de zijlijn opvalt is dat er héél weinig vrouwen meelopen. Het extra-vreemde voor mij is wel dat de meeste vrouwen een stuk harder lopen dan de mannen. Waarschijnlijk zijn die vrouwen wat later gestart en zijn de beste vrouwen zo langzamerhand de mindere mannen aan het inhalen.

Vòòr mij begint opeens een jonge vrouw met een blonde paardenstaart enthousiast te roepen: ‘Antoine, Antoine’, een man geheel in het zwart, kijkt eerst niet en na de derde Antoine kijkt hij eindelijk op en  zwaait lachend.

‘Dat was nog maar op het nippertje,’ bemoeide ik me er mee, ‘hij hoorde je nog maar net op tijd’..

‘Ja’, zei ze, ‘ik kreeg net door, dat hij hier al voorbij moest zijn maar daar was Antoine toch nog’ zei ze, helemaal gelukkig en buiten adem.

Aan weerskanten van me staan, bijna tegen mijn kuiten, twee honden. De één is een nare vechthond, de ander een vriendelijk-ogend vuilnisbakkie. Allebei staan ze zich hier rot te vervelen. De een staat vast aan het dranghek de ander wordt door zijn baasje aan de lijn gehouden.  Geen idee waarom, maar dat lief-ogende vuilnisbakkie wordt opeens laaiend op die engerd. Vlak achter mijn kuiten … kunnen ze mekaar net niet de strot afbijten. Het lieve hondje wordt door zijn baasje teruggetrokken en bestraffend toegesproken.  Het baasje van de pitbull geeft zijn trouwe viervoeten een trap tegen zijn ongewoon grote kloten, waarop het beest van pijn en ellende ineen krimpt.

De vrouw met de paardenstaart  draait  zich om naar het trottoir en roept naar iemand daarginds:  

‘Antoine is hier toch nog langs gekomen . Hij heeft me gezien’.

Ze praat nu zachter tegen een man met een kind op zijn arm en blikjes frisdrank in een doorzichtige boodschappentas. De man gat vlak voor mijn neus staan. 

De vrouw met de paardenstraat lijkt iedereen te kennen. Zij juicht iedereen met zijn of haar voornaam toe. Ik dacht dat ze misschien bij PAC zat, die grote Rotterdame Atletiekclub. Maar even later zie ik tussen die lui, die nu voor me staan, door, dat onder het deelnemersnummer op de buik van de loper, ook in vrij grote letters nog  de voornaam van de marathonloper staat te lezen. Ik kon me dat van  eerdere jaren niet herinneren.

Na een halfuurtje had ik wel weer gezien. Wel een nieuw record staan te kijken: 23 minuten en 17 seconden. Vorig jaar keek ik 25.12. Dit was mijn 20e marathon. De eerste keer stond ik 2 uur 24 minuten en 27 seconden langs de lijn.. Maar ja dat was nog in de vorige eeuw. Toen was ik nog niet eens 50. Dus reken maar uit.


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com


zaterdag 11 april 2026

EEN ROOIE HOER.

Gedwongen prostitutie is het onderwerp van een documentaire serie die de EO op de dinsdagavonden in januari 2015 uitzendt. (Er komen nog twee delen). Een op de prostituees blijkt onder dwang te moeten werken.

In de documentaire vertelt de (onherkenbaar gemaakte) ervaren pooier Boy hoe hij een vrouw achter de ramen krijgt:
‘Met klappen! Dat hoort. Om te laten zien wie de baas is. Eens in de zoveel tijd moet dat, je kunt het vergelijken met een hond. Die moet je ook alles leren. En als een hond niet wil dan trap je of geef je een klap. Hetzelfde geldt voor een vrouw.’ Een behoorlijk riskante zaak die gedwongen prostitutie.
Toen ik 18 jaar was had ik een krantenwijk, jawel! Negentig procent van het geld dat ik met dat werk verdiende, gaf ik aan mijn moeder. Mijn vader verdiende veel te weinig om 12 personen te kunnen onderhouden. Dat kleine beetje geld van mij hielp. Maar dat was het niet alleen, want die tien procent die overbleef ging in een enveloppe in mijn bureautje en na tien weken zat er vijftig gulden in. Voldoende om eens naar Katendrecht, naar de hoeren te gaan! Ik zocht een ranke, rijpe roodharige hoer van ongeveer 30 jaar uit en vroeg haar zo stoer mogelijk:
’Hoeveel?’
‘Vijfentwintig piek,’ zei ze, waarop ik knikte. Ze wenkte me naar binnen en vroeg meteen nadat ze deur achter me had gesloten om mijn geld. Ze had op vier hoog een piepklein kamertje, waar net een twijfelaar kon staan. We moesten veel steile trappen op om daar te komen. Ik voelde of die twee briefjes van tien en dat briefje van vijf nog in mijn kontzak zitten.
Ik was knap nerveus. Zij was zich al aan het uitkleden.
‘Hup!’ zei ze, ‘waar wacht je nog op, jochie? Uit die kleren, opschieten.’ Ik was nog bezig met mijn onderbroek en mijn sokken uit te trekken, terwijl zij al in haar beha en haar slipje op bed lag. Ze trok me naar zich toe op bed en probeerde mijn angstig kleine plassen hard te maken.
‘Het gaat zo niet,’ zei ik tegen haar, ’het gaat misschien als je je helemaal uitkleedt.’
‘Is goed, joh,’ zei ze, ‘maar heb je nog meer knaken bij je dan? Want voor niks gaat de zon op, hoor. Daar hangt wel een prijskaartje aan.’
In m’n blootje pak ik mijn broek, en vis die andere vijfentwintig gulden uit mijn kontzak.
‘Geef maar hier dan!’ Ze is allesbehalve aardig. Toen ze die andere vijfentwintig gulden uit mijn handen had gegrist, deed ze d’r beha en d’r slip uit en trok mij op haar lijf.
‘Niet op m’n bek gaan staan kluiven, hè!’ zei ze meteen als een boze schooljuf … ik was niet eens op het idee gekomen.
Met mijn slappe lul kon ik helemaal niks uitrichten. Zuchtend en steunend probeerde ze mijn slappe plasser af te trekken, ... tevergeefs natuurlijk. Ze had er ook duidelijk geen trek in.
‘Nou, we kappen ermee hoor, want dit wordt 'm niet. Volgende keer beter, joh,’ zei ze en ze was alweer zowat aangekleed … ze stond al bijna buiten voor de deur, nieuw klantjes te verleiden.
Zou deze vrouw destijds rond 1965 gedwongen in de prostitutie hebben gezeten? Moeilijk te zeggen. Haar lichaam was ongehavend. Maar …als je dat werk doet uit eigen keuze, moet je er toch een klein beetje lol in hebben. Dat had zij duidelijk niet.
Dat zal wel aan mij gelegen hebben, denk ik …

(Uit mijn verre R'damse verleden)


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com


vrijdag 10 april 2026

PARKEREN.

Vanmorgen loop ik Lenie in het trappenhuis tegen het lijf. Ze is met een zakje gft-afval op weg naar de gft-bak. Ik zeg haar dat die gft-bak al propvol zit, dat ze die zak beter thuis kan houden, totdat de gft bak geleegd is. Maar ze doet net alsof ze niets hoort. Ze begint meteen tegen me aan te  praten. Over parkeren. Zij (75) rijdt zelf nog auto. Ze voelt zich tekort gedaan omdat er te weinig parkeerplek is in onze straat.

‘Moet je nou horen Jos, je kent Hans toch wel, van hierboven, die heeft van achter zijn keukenraampje zitten turven hoeveel van onze parkeerplekken worden ingepikt door medewerkers van die twee scholen aan de overkant van onze flat. Het waren er wel meer dan twintig. Dat is toch te gek!'

Als ik dat hoor schiet ik spontaan in de lach. ’Echt waar Lenie, echt waar? Heeft ie dat echt gedaan? Wat on-ge-loof-lijk zielig, zeg! Ik zie hem he-le-maal zitten daar achter dat raam. Heel fanatiek met pen en papier.

‘Jaaah’,zegt Leni, ‘hij moet regelmatig zijn auto neerzetten op de parkeerplaats van het zwembad. Daar is het niet veilig. Daar kan hij zijn autootje niet zien!

Ik zie Patrick komen aankuieren. Ik heb Franse les bij hem. Ik ga van de zomer naar Frankrijk. Vandaar dat ik mijn Frans wil opfrissen. Patrick  is een echte Fransman, die al bijna zestig jaar in Nederland  woont. In Prinsenland ook. Ik mag eén keer per week twee uurtjes bij hem langs komen voor  les.  Hij loopt een beetje traag vandaag. Hij is niet zo gezond. De les van vandaag kan niet doorgaan omdat hij straks naar de dokter moet. Iets met zijn longen geloof ik. Ik wens hem sterkte.

‘Nou, Patrick, tot volgende week (la semaine prochaine) dan maar weer, hè? Au revoir! (Tot ziens!)’.

Ik  heb in de middag, in plaats van Frans, mijn boekhouding zitten doen. Alles klopte. Ga straks nog wat Franse woordjes in mijn hoofd stampen en wat lezen in de roman  ‘Vrouw’ van de Noorse schrijver Knausgärd. Dan ga ik de witlofsalade, die ik gisteren gemaakt heb oppeuzelen. ’s Avonds zit ik in de schouwburg. Ik ga naar het toneelstuk Gundi kijken, geïnspireerd op Gandi. De vredesapostel, tevens president van India. Het stuk wordt gespeeld door een Duitse theatergroep met de Nederlandse naam :’De warme winkel’. 

Ik ben net weer thuis: Een weerzinwekkend slecht toneelstuk was het, met derderangs acteurs.

donderdag 9 april 2026

AVONDJE FAAS.

Zondagochtend word ik wakker met een kurkdroge mond. Ik zal wel weer de hele nacht hebbe legge snurke. Me vrouw legt tenminste niet meer naast me. Die vlucht meestal naar een ander plekkie als ik zo hard leg te ronke. Die droge mond kan ook komme door het vele zuipe van gisteravond bij Faas, me stamkroeg. Dàt weet ik me nog wel te herinnere. Wat ik niet meer weet is hoe ik daar ben weggegaan en thuis ben gekome. Maar goed, ik leg hier in me eigen bed, dus het zal wel.
Nu ik wat meer ontwaak, zie ik her en der wat kots legge… op me kussen, het laken, het dekbed… ik zal er ook wel in gelege hebbe. Er zit zelfs meuk aan me wang en in me haar geplakt. Gauw douche en die vieze troep in de was flikkere… dzjiezus, ik sterf van de koppijn. Eigen schuld, dikke bult.
Meestal knap ik niet op van een douchebeurt bij ons thuis. We hebbe zo’n klote douche die doet wat-ie wil. Nu eens sproeit-ie kokend heet water, dan ineens weer ijskoud. Gek word ik d’r van. Met nog meer koppijn kom ik d’r onder vandaan, maar ik stink tenminste niet meer en me mond is weer lekker nat.
Omdat me huid snel uitdroogt, smeer ik er wat lotion van me vrouw op. Ik schiet me lichtblauwe badjas aan. Staat me goed hoor, al zeg ik het zelf. Ik kijk nog ff in de spiegel; van top tot teen prima. Alleen die onuitgeslapen kop en die harige spillepootjes d'ronder verpeste de boel een beetje. Aan me gezicht valt wat te doen: ik trek me mondhoeke omhoog en wrijf me oge goed uit. Die spillepootjes… die hare scheer ik morgen wel af!
Het is raar, maar as ik flink gezope heb, ben ik daarna extra opgewonde. Bere-geil, zeg maar. Ik ga dus maar eens kijke of ik me vrouw ken verleide voor een nummertje. Dan moet ik d’r eerst vinde; ze zal wel legge te slape op de bank in de woonkamer.
Ik wist het. Daar legt ze. Alleen al het kijke naar d’r contoure onder dat dekbed blijft me opwonde make. Ze slaapt nog diep. Dit vindt ze lekker, zeker weten: ik streel over het dekbed, d’r schouders, rug, bene… maar as ik d’r billen wil gaan strele, draait ze zich als door een wesp gestoke om:
‘Blijf van me af klootzak, zuiplap! Ik heb geen oog dichtgedaan door jou! Lul dat je d’r bent!’
De opwinding is gelijk weg. Ik loop naar de werkkamer en ga op de pc de puzzel van de dag oplosse.

(Uit mijn verre R'damse verleden)


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com