Pageviews van de afgelopen week

woensdag 1 april 2026

MARATHON RT

 Zondag is de Rotterdamse marathon, hoor. In de stad ken je het al dage merreke. Allemaal van die clubjes buitenlanders die d’r eigen sportief legge te weze. Jonge vrouwtjes en ventjes, hartstikke opgewekt joh. Ik hoor van alles: Frans, Duits, Engels, Spaans. En zat van die Afrikaantjes natuurlijk. Ze lope d’r bij in sportpakke, met sporttasse, sportdrankjes en van die petjes. De hotels zulle wel stervensdruk weze.

Ik heb eigelek altijd mee wille doe an de marathon, maar ‘t is d’r nooit van gekome. We schrijve 1983. Ik bereid me eige voor bij PAC, de beste club van Rotterdam natuurlijk. We traine as gekke in ‘t Kralingse Bos. Veel intervalle. Bijna de helft van de marathon ken ik hale. Twintig kilometer, t-jonge. Dan begeeft m’n knie ‘t. ‘Begeeft’ is misschien een beet-tje overdreve… maar bij elke stap die ik zet, voel ik zo’n steek in die knie, m’n rechter. Klinkt misschien een beet-tje kleinzerig… maar kilometers lope met van die pijnlijke steekjes die maar blijve komme… ik geef ‘t je te doe, hoor. Ik moet dan helaas nokke met traine. Naar de fysio, en mo’s kijke: we zijn bijna veertig jaar verder en ik voel dat rottige steekje nog steeds.
Maar nú trek ik m’n eige d’r niks meer van an! Ik ga gewoon meedoe, nie op zondag maar op zaterdag. Want dan heb je de ‘ouwe knarre wandeleditie’ van de marathon. Twintig weke lang heb ik elke zaterdag, voor die negende april, m’n meters legge make. Weer of geen weer, gewoon gaan.
Mèt echte rugnummers, hè. Alhoewel, ‘t zijn eigelek borstnummers, want je moet ze op je voorkant prikke. Met veiligheidsspelde. Dat valt om de donder nog nie mee, joh. Ik prik m’n eige een paar keer lelijk in m’n pens (bloeie as een rund!).
Je krijgt een echte medaille as beloning as je ‘t hele stuk, van wel zestienhonderd meter, binne ‘t uur ken aflegge. Van Hotel Inntel bij de Erasmusbrug naar ‘t Stadhuis. Met de borst vooruit ken ik wel zegge dat ik, ondanks die pokkepijn, die medaille heb gepakt.
‘t Is de tweede grote sportprijs in m’n leve die ik heb binnegesleept. M’n eerste prijs pakte ik tweeënveertig jaar gelee. Toen liep ik de Vierdaagse uit, vijfendertig kilometer per dag. Toen had ik nog nergens last van, geen centje pijn. En eerlijk is eerlijk: zonder de steun van m’n zus had ik ‘t in Nijmege nie gered (maar dat effe terzijde).
Nog effe over die ‘ouwe knarre loop’: we zijn met honderde lopers en ‘t mooie is: we worde toegejuicht door duizende mense langs de Schiedamsedijk en de Coolsingel… dat doet een mens goed, hoor. Ik voel m’n eige een echte marathonheld. Dit had ik effe nodig om die pijn uit de jare tachtig achter me te kenne late.
Zondag staan die krasse knarre, weer of geen weer, langs de Boszoom om de echte helde an te moedige.

(Uit mijn verre R'damse verleden)


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com


dinsdag 31 maart 2026

ZORGEN OM MIJ.

 Ik maak me een beetje zorgen om mij. Het lijkt haast wel of ik dement ben. In het beginstadium dan, hè. Dat ik het nog weet, dit nog allemaal zo op kan schrijven. Misschien stel ik me wel aan. Is het gewoon een bijverschijnsel van  pillen slikken, veel te veel hooi op mijn vork nemen en een  tijdelijke aanval van gejaagdheid.

 Maar hoho, wat ister dan toch

 Nog geen uur geleden was ik in de sportschool bij de physio. Half uitgekleed. Ik! Niet de physio!. Physio behandelt me prima. Ik ga daar weg en laat de helft van mijn spullen in die behandelkamer liggen: mijn sleutelbos (!) wat vreselijk stom, mijn vest en mijn petje. Ik vond het al zo fris op de weg terug naar  huis. Er ging echter geen lichtje bij me branden. Ik ben nu net even terug gegaan om die spullen op te halen. Ze lagen keurig bij de receptie van de gym. Bij diezelfde gezellige receptioniste die me drie weken geleden mijn toen bij die physio vergeten mobiel terug gaf. Ik geneerde me nog net niet dood.

 Wat zij niet weet is dat ik de laatste drie maanden zeker  vijf handdoeken, twee grote en drie kleinere op de gym heb laten slingeren. Ik dacht toen, och, ik heb toch voldoende handdoeken laat ze ze maar houden, daar. Ik heb er nu nog maar drie  over. Ik moet er echt een paar bij kopen. Die ik liet slingeren, waren trouwens toch al behoorlijk versleten. Een smoesje, dat weet ik.

 Tsja, er komt nog meer. Ik ben nog maar op de helft van dit ‘dementiestukje’.  Afgelopen zondag ben ik lekker bezig. Met mijn opfriscursus Frans. Het maken van een flinke portie chili con carne (voor vijf dagen). Het  uitzoeken van een film, die ik vanmiddag in de bios wil gaan zien.

De film is gauw gekozen: een Franse film, die mooi past bij mijn opfriscursus: ’l’Étranger’ in Cinerama om half vijf. Het is een mooie ‘film noir’. Wanneer ik in een  filmscene iemand ie koken realisseer ik me dat ik mijn ‘chili’ thuis op de inductieplaat heb laten staan. Sinds vanochtend half twaalf. Op standje 4+. Het is inmiddels half zes. Ik ren de bios uit. Spring op mijn fiets. Heb nare  visoenen van verkoekte chili en een verziekte inductieplaat. Om kwart over zes sta ik in mijn keuken, til de deksel van de -pan op en zie dat de chili nog vredig staat te pruttelen. Ik zet het wel meteen uit. Ik was kapot. Het was natuurlijk niet alleen dat angstzweet. Ik had me ook nog es de pleuris gefietst.

Zodoende denk ik dus dat ik me zorgen moet maken. Want dit is het niet alleen.  Er is nog meer. Maar dit stukje zit vol. Hier laat ik het even bij.

maandag 30 maart 2026

DE WARE LIEFDE

 Ik heb nu al bijna tweeëntwintig jaar geen moeder meer. Althans geen moeder meer in levende lijve. In juni 2004 is ze overleden. Vraag me niet waaraan ze precies is overleden want dan ga ik stotteren … kom, laat ik toch een poging wagen: ze had een paar tia’s gehad ze begon te dementeren, toen kreeg ze nog een tia en toen gaven ze haar in het verpleeghuis de pijnstiller morfine en daar is ze heel langzaam aan dood gegaan. Vijfenzeventig is ze geworden. Ik was toen vierenvijftig.

De eerste twintig jaar van mijn leven was ma mijn idool. Ik deed alles voor haar en zij deed alles voor mij. Ik was haar oudste zoon (van een gezin met in totaal tien kinderen). Ik was haar oogappel, werkezel, boodschappenjongen  en vertrouwenspersoon in gezins- en familiekwesties. Het zal wel een bijzonder soort liefde geweest zijn, die liefde tussen moeder en haar oudste zoon. Het was vanzelfsprekend een liefde zonder een spoor van lichamelijk contact.
Carole gooide mij wel eens voor de voeten dat ik pas tevreden zou zijn als onze echtelijke relatie net zo zou worden als mijn relatie mijn moeder. Was de relatie tussen
 mij en mijn moeder dus geheel zonder lichamelijk contact, de echtelijke relatie tussen Carole en mij was vrijwel geheel zonder lichamelijk contact. Dus op dat gebied ontliepen die relaties elkaar niet zo veel.

'Alles’ voor elkaar over hebben klinkt ook wel erg ruim. Wat zit er in dat ‘alles’ voor mij?
Mijn zusjes bezig houden als ma het druk had met huishoudelijk werk.
Met mijn zusjes naar het Kralingse Bos gaan als het lekker weer was, dan kon ma haar zwakke moeder, onze lieve oma,  lekker een dagje gaan helpen.
Voor haar zus, mijn tante Lenie, boodschappen doen, want die had zulke drukke kinderen en haar man zat in de continudienst dus die kon ook geen boodschappen doen.
Geld voor haar te leen vragen bij mijn opa, (de vader van mijn pa) om brood en suiker te kunnen kopen.
Later, toen er steeds meer broertjes en zusjes bij kwamen, ging ik ook wel lopen stoffen en stofzuigen. Gras maaien deed ik ook. Dat vond ik wel leuk.
Voor mijn jongste vier broertjes was ik behalve grote broer, ook een halve vader. Ik gaf ze de fles, verschoonde hun luiers, deed ze in bad, bracht ze naar bed en deed overdag allerlei leuke dingen met ze van zwemmen tot voetballen.

Ma had ook ‘alles’ voor mij over, schreef ik. Wat dan wel?
Er was nauwelijks geld. Mijn vader verdiende nog niet eens genoeg geld om een vrouw met één kind te onderhouden. Laat staan een vrouw met tien kinderen. Ze leent her en der geld zodat ik met een studie kon beginnen. Klasse.
Net zo ging het met die brommer. Ze kocht een brommer voor me. Op afbetaling. Elke maand vijftig gulden. Die kon ze absoluut niet missen. Iedere jongen van zestien had een brommer. Ik dus ook, vond ze. Het was een ontzettende kutbrommer. Dat heb ik haar maar nooit gezegd.
Ook dat camelkleurige colbertje wilde ze persé voor me kopen. Iedere jongen op de hbs, waar ik toen op zat, had zo’n jasje.
Ze gaf mij met eten altijd van alles het meeste: vlees, groente. Ik moest er nog van groeien en hard studeren … (die anderen zeker niet dan??)


Ik leerde door haar goede zorgen zo goed dat ik in Utrecht kon gaan studeren van een ruime studiebeurs. Ik kreeg toentertijd een leuke vriendin, Carole,  door wie de verhouding met ma rigoureus veranderde. Carole was mijn nieuwe idool … niet zo leuk voor ma … maar ja  … Carole was de ware liefde. 


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com


zondag 29 maart 2026

MAAT 47.

 

Schoenen, sokken en  voeten zijn nauw met elkaar verbonden. Ik heb moeilijke voeten. Iedereen die per ongeluk mijn blote voeten te zien krijgt, slaat de schrik om het hart en zal zich afvragen of ik me op die ‘uitsteeksels’ nog fatsoenlijk kan voortbewegen.

Tsja, mijn voeten zijn inderdaad niet de fraaiste en ook niet de makkelijkste. Ze zijn groot. Maat 47. Ik ben de enige in mijn familie en kennissenkring. Maat 47 en altijd  pijn. Het is lastig dat die maat haast nergens te koop is. Bij de kleinere schoenwinkel zit 46 nog net in het assortiment. 47 wordt te weinig verkocht. Te riskant voor de kleine middenstander. Bij een zaak als  Van Haren zijn ze wel te koop.

Niet  elk maatje 47 zit trouwens lekker. Sommige knellen m’n enkels zowat murw. Halverwege een pittige wandeling moet ik de 47’ers uittrekken en vervangen door mijn oude gympen. Thuis leg ik die nieuwe schoenen 24 uur in een teiltje warm water, zo versoepelt het leer. Mijn voeten zet ik ernaast om ze een half uurtje lekker te laten weken.

Alle 47-schoenen hebben voor mij een te smalle leest. Dat betekent, mijn voeten zijn  vrijwel altijd iets te breed. Dat merk ik aan de eeltvorming op de buitenkanten van mijn voeten. De kleine tenen worden  door de tenen ernaast krachtig tegen de schoenzool  geperst. Daar komen dan weer blaren. Die weer splatsjen en verharden tot eelt. Duurzaam en pijnlijk. Bij elke stap.

 Op mijn beide grote tenen groeien schimmelnagels. Millimeters dik. In onsmakelijke varianten grijs Mijn oude schoenen zijn door de groei van die nagels ietwat opgehoogd. De nagels moeten nu worden bijgeknipt en - geveild.. Daar kom een pedicuur voor.

Je ziet er niks van en qua pijn heb ik er geen last van maar qua walging weer wel. Mijn zweetvoeten.. Een probleem op zomerse hoogtijdagen. Als ik m’n zweetsokken  laat rondslingeren, want dat zijn de boosdoeners. Niet mijn voeten deze keer.

Mijn buurvrouw spreekt me op straat aan: ‘Ik heb een tijdje achter je gelopen, buurman. Het lijkt wel of je dronken bent. Je loopt zo te slingeren’.

‘O ja? Zeker m’n nieuwe schoenen,’ zeg ik. Ik ga natuurlijk niet dat hele verhaal aan haar neus hangen. Zeker niet aan háár neus.


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com


zaterdag 28 maart 2026

ONDER HET MES.




Morge word ik geopereerd. Me pink groeit alsmaar krommer en ik krijg ’m niet meer overeind. Om nege uur mot ik in Franciscus weze. Om twaalf uur wordt het mes in me hand gezet en als het goed is, ken ik om tien voor één weer met een rechte vinger wijze.

Ik ben tot nu toe drie keer eerder onder het mes gelege. De eerste keer was ik nog een klein peutertje: me amandele werde geknipt. Ik kreeg een kapje over me mond en neus en binne de minuut was ik buiten westen. Hoe lang het geduurd heeft weet ik niet, maar ik stierf van de pijn. Vooral die aanblik van al dat bloed over dat witte lake om me nek… ik dacht echt dat ik dood zou gaan.

Toen ik tweeëndertig jaar was en we twee kinders wel genoeg vonde, besloot ik me te late sterilizere. Een simpelere ingreep bestaat er niet: plaatselijk verdove, sneetje make, de boel dichtbrande en klaar is Kees. Manne in me omgeving zeie: “Joh, je voelt er niks van; bakkie pleur na afloop en je pakt de auto naar huis.” Me vrouw was weer eigenwijs en had al besloten dat ze me zou brenge en hale. Gottegot, wat was ik blij dat ze er was. Ik had erg veel pijn tussen me bene en liep als een oud opaatje dat het in z’n broek had gedaan. Ik schaam me er best een beetje voor, maar bij het instappe van de auto heb ik zelfs een beetje legge janke van de pijn.

De laatste keer was het lasere van de spatadere in me linkerbeen. Dat been werd plaatselijk verdoofd. Opeens voelde ik iets kokend heets tege me kuit. Kleinzerig als ik ben, gilde ik het uit: “AAAAUW!!” Wat er precies gebeurde kon ik niet zie, want me been was afgeschermd. Ik heb zo’n flauw vermoede dat die chirurg expres iets heets tege me kuit hield. Hij stond daar zogenaamd onschuldig rond te kijke. “Heeft u pijn, meneer?” vroeg hij nog quasi bezorgd.

En dan ga ik nu onder het mes voor de ziekte van Dupuytren. “Reke maar dat u zes uur kwijt bent,” zei een zuster, “maar dan staat uw pink ook wel weer recht.” Van nege tot drie uur dus! Wat duurt dat eigenlijk lang. Me arm wordt verdoofd door een prik onder me oksel. Als ik het nodig vind, ken ik om een slaappilletje vrage. Dat lijkt me helemaal zo gek nog niet.

Na afloop mag ik niet lope, fietse of met de tram. Ik mot dus een taxi neme of iemand met een wage vrage. Gelukkig komt me buurvrouw me hale. Laten we hope dat die pink straks weer rechtstaat, anders ken ik niet eens meer fatsoenlijk een biertje vasthoude!


(Uit mijn verre R'damse verleden)


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com


vrijdag 27 maart 2026

MOETEN.

Moeten zorgen.

Leo is zelf een migrant maar allesbehalve een migrantenvriend. Zijn vrouw baart hem nu veel meer zorgen dan de politiek. Leo is druk in de weer met zijn dementerende echtgenote. Hij wil haar in haar laatste levensfase alles geven wat ze nodig heeft.

Hij ervaart met pijn in zijn hart de dominante kille benadering van de medewerkers van het verzorgingshuis.. Er is daar continu sprake van onderbezetting. De zorg, dit zware werk,  wordt bedroevend slecht betaald. 

Leo mist  de liefdevolle verbinding vanuit het verpleeghuis naar de cliënten.. Hij is daar te gast en vanuit die rol wil hij daar zijn voor de die afdeling.  Dus niet omdat hij moet van  een hogere macht: het is zijn mensbeeld dat hem motiveert.  Hij voorziet in een behoefte. Hij zingt, speelt mondharmonica, danst, masseert, wandelt, trakteert, troost: hij is er voor iedereen op de afdeling niet alleen voor  zijn eigen Marja. Zijn Marja is de enige van de afdeling die nog bezoek krijgt. De andere vier hebben niemand meer. Krijgen dus nooit bezoek .Het is prachtig dat Leo daar ook voor hen wil zijn. 

Maar ...  hij moet wel oppassen. Zijn grenzen bewaken. Dit is een situatie die makkelijk tot een burn-out kan leiden voor Leo.  

 De zorgmedewerkers reageren op Leo’s gedrag alsof hij hen voor de voeten loopt. Hij wordt, met zijn humane, menslievende, aandachtige houding, door hen als lastig ervaren.

 

Moeten schrijven.

Natuurlijk komt er niet eens in de zoveel tijd iemand thuis bij me langs om me op straffe van 100 stokslagen te dwingen: ‘Jij moet elke dag een stukje schrijven.’ Natuurlijk niet.

Hoewel ik wel bijna dezelfde woorden gebruik: ’Ik heb geen tijd, want ik moet vandaag nog een stukje schrijven. Neen, mijn stukjes zijn beslist geen dwangarbeid.. Ik vind het telkens weer een verrukkelijke bezigheid. Het ene stukje is weliswaar beter dan het andere, toch ben ik er altijd weer blij mee.

 Moeten ademen.

Ik vernam dat er ooit eens een pientere (oude) dame vertoond werd op tv, die zei: ’Moeten, moeten?? Ik moet helemaal niets'. Jaha, okee, een ding moet ik echter wel en dat is ademhalen’.

Deze pientere schrijver voegt daar dan nog gaarne aan toe dat hij ook zo af en toe moet poepen en héél vaak moet plassen. 


Lieve lezer,

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen 

via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com


donderdag 26 maart 2026

MONGOOL.

Elke ochend, as ik naar de sportschool gaat, komt ik d’r tege. Een vrouw van een jaar of veertig, een mongooltje. Ze is altijd same met d’r moeder, die toch ook al een endje in de zeventig mot weze. Waar ze heen gaan? Tja, leg dat maar us uit.. Geen idee. Het ken van alles weze, naar de familie of de supermarkt ofzo, maar ik heb zo’n donkerbruin vermoede dat ze elke ochtend rond die tijd naar de dagbesteding voor verstandelijk gehandicapte gaan.
Bijna altijd zijn ze same en bijna altijd hebbe ze mot met mekaar. Die moeder ken het nooit goed doen. Met d’r lage damesstem gooit die dochter d’r moeder allerlei verwijte naar d’r hoofd die ik niet verstaan ken, maar zo komp het wel over. Soms loop ze stampvoetend een paar meter voor d’r moeder uit, met een muil die op onweer staat. De andere keer loop ze juist weer tergend langzaam een paar passe achter d’r moeder an. Zo dwingt ze dat mensie om steeds achterom te kijke en d’r eigen tempo an te passe. Een heel enkele keer zie ik d’r alleen op pad gaan. Ook dan kijkt ze zo nukkig uit d’r doppe, dat hoort blijkbaar gewoon bij d’r. Met grote stappe loop ze me tegemoet; ze kijk niet op of om en loop gewoon door.
Ik heb best wel us medelijde met die ouwe moeder, want die doet het in de oge van d’r dochter toch nooit goed. De wanhoop straalt uit d’r oge. Het valt ook niet mee as je op weg ben naar de tachtig en je lig constant overhoop met zo’n recalcitrante dochter op je nek.
Mijn jongste broertje Marco is ook een mongool. Twintig jaar jonger dan ik is tie. Me moeder was 39 toen ze van hem beviel. Hij is precies het tegenovergestelde van die nukkige dame: meestal hartstikke rustig, vriendelijk en meegaand. Wat dat betreft is het natuurlijk net as bij gewone mense: elke mongool is weer anders.
Hoewel Marco niet zo’n moeilijke gozer is, heb me moeder er verstandig aan gedaan om hem, toen die nog een tiener was, uit huis te plaatse in een begeleide woonvorm. Dat was een hele kluif voor d’r om dat te besluite. Ze heeft er zat traantjes om gelate, maar het was een goeie beslissing. Een verstandelijk gehandicapt kind in huis blijf tot in de lengte van dage een hele zorg, ook al ken Marco nog zo rustig en vriendelijk weze.
Me moeder heb zo een redelijk rustige ‘oude dag’ gehad en Marco heb het in z’n eigen huisie, met z’n begeleiders en die andere bewoners prima naar z’n zin. Voor zowel me moeder as voor Marco was het altijd een klein feessie as ze mekaar weer zage, bij hem of bij moeders thuis… of op een verjaardag… want dán was het dubbel feest, begrijp je?

(Uit mijn verre R'damse verleden)


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com