Pageviews van de afgelopen week

donderdag 1 oktober 2026

HET SYNDROOM VAN DOWN KNOCK DOWN!

Bijna zou ik mijn eigen diepe ellende als kind, in de tweede helft van de vorige eeuw, vergeten… een van mijn geliefde jankonderwerpen: dat grote gezin. Ja! Je spòòrt toch zeker niet wanneer je als ouderpaar dertien (!) kinderen neemt, wanneer je je er hooguit één, nou vooruit: heel misschien twee kan veroorloven. Nu heb ik nog niet eens geschreven dat van die dertien kinderen er twee geestelijk gestoord zijn. De een nog erger dan de ander. Kejje nagaan.
Mijn jongste broer is een mongool. (Aan dat bekakte Syndroom van Down-gelul doe ik niet mee. Ik heb het alleen over mongolen. Klaar!) Nota bene geboren in een periode dat alle tijdschriften, van de Margriet tot de Donald Duck, met schreeuwende koppen publiceerden: 'Opgelet dames! Als je boven de 38 jaar zwanger wordt, is de kans wel hééééééél erg groot dat je een mongooltje baart!!!!' Maar mam leest dat niet, of ze wil het gewoon niet weten, of het kan haar geen reet schelen. Mam maakt het inderdaad helemaal niks uit: ze is 43, houdt van zwanger zijn van alle mogelijke kleine baby’tjes. Terwijl ik net in het tijdschrift ‘Ouders van Nu’ een in alle opzichten ongeloofwaardig artikel lees over pril oudergeluk in combinatie met een meervoudig gehandicapt kind, baart mam haar dertiende en laatste kind. Mijn jongste broer: Tet (met een t nog wel). Op kraamvisite zegt iedereen: "O, wat een leuk ventje"… ja, ja, zeg dat wel… maar ik zie het gelijk. Tet, dat leuke ventje, is dus een mongool. Ja! Dat zie ik in één oogopslag. Mij hoeven ze niks wijs te maken. Ik ben niet gek. Een mongooltje uit het boekje: oogplooitjes, breed neusje, huidplooitje op de handpalm en ga zo maar door. Ik heb het net allemaal zitten lezen in 'Ouders van Nu'. Zo'n Jan Lul was ik toentertijd, twintig jaar en als een ouwe opa zitten neuzelen in de 'Ouders van Nu', in plaats van in de Playboy of Voetbal International.
"Dat heb je d'r nou van, mam," zeg ik, "daar zit je tot je dood aan vast." Als een soort troost vertel ik haar dat mongooltjes nooit zo erg oud worden, vijftig hooguit zestig jaar. Mam reageert nauwelijks verheugd. Ze lijkt wel geïrriteerd door wat ik zeg… "Zo lang ik kan, zorg ik voor Tet," zegt ze berustend, "al word ik honderd… wie dan leeft, wie dan zorgt."
In 1970 zijn er nog geen testen die kunnen aantonen dat er een mongooltje groeit in de buik van de zwangere vrouw. Als die er wel waren geweest, had ie tenminste al in een vroeg stadium afgedreven kunnen worden. Dan hadden we geen Tet gehad.
Ik vraag me af of mam dan besloten zou hebben om Tet te laten afdrijven… nee, ik vraag het me niet af ook… ik weet heel erg zeker dat ze dat nóóóít, nooit van haar leven gedaan zou hebben. En… eerlijk is eerlijk: Tet is een lieverd, een heel kwetsbare lieverd. Hij is gevoelig, lief, vriendelijk en grappig.
Tet mijn idool, allerliefste mongool.

woensdag 30 september 2026

ALS EEN SPEER

Vrijwel àlles doe ik op de fiets. Bioscoop, theater, ziekenhuis, markt, bieb, musea, Lage Bergse Bos, Rotte, het Kasteel en ... masturberen… nee hoor, grapje… dat gaat toch nóóit lukken met één hand aan het stuur en windje tegen…
Een paar keer per jaar doe ik Hoek van Holland. Daarheen fiets ik alleen heen met oostenwind. Terug pak ik dan de metro naar mijn station Prinsenlaan. Terug doe ik ook, bij westenwind.
Naar alles wat binnen 5 minuten lopen van mijn huis is, loop ik die vijf minuten lopen van mijn ,huis. Logisch toch? Ook naar die vreselijke kut-Jumbo, uitsluitend omdat die zaak zo dichtbij is.
Genoeg over waar ik zoal naartoe fiets. Toen ik zojuist startte met schrijven wou ik het hebben over ‘HOE’ fiets ik ‘WAAR’ heen. Belangrijk om te weten: ik heb de muziek-app Spotify. (Wie niet overigens?) Die muziek-app mag ik graag beluisteren tijdens het fietsen. Normaliter ben ik een slome duikelaar, wat op zich ook helemaal niks uitmaakt op die relatief korte ritjes. Het merendeel van de stukjes die ik fiets, is gewoon aan de korte kant. Ik luister dan naar de muziek van The Fortunes, The Cats, Adamo, The Blue Diamonds. Het zal geen verbazing wekken, dat ik daar bij tijd en wijle bij wegdommel.
Voor de lange afstanden als naar de Hoek, Gouda en Dordt heb ik meer muzikale ‘pit’ nodig. Het is op zich beslist niet mijn favoriete muziek. Wanneer ik lange afstanden maak op de fiets, dan heb ik het geluid van de Nederpopband Doe Maar en de New Waveband Fisher-Z gewoon nodig om snelheid te maken, te accelereren, te consolideren.
Ik ben al jaren met die jongens van die bands aan het wielrennen. Noem het voor mijn part autistisch, mij een biet. Maar op het ritme van die groepen ga ik altijd als een speer. Ik sta er af en toe perplex van dat ik mijn bestemming een kwartier eerder bereik dan Google Maps had uitgevogeld.
Ik doe het niet vaak, maar soms kan ik de verleiding niet weerstaan, dan zet ik een nummer op: ’eindeloos herhalen’. Dat doe ik met de nummers ‘Limbo’ van Fisher-Z en ‘Smoorverliefd’ van Doe Maar. Dzjiesus, dan gá ik me toch zeker als tien speren tegelijk. Pure doping!
Zo scheur ik 100% mindful over onze grandioze fietspaden. 'Smoorverliefd' van Doe Maar kent iedereen natuurlijk, maar Limbo van Fisher-Z, zoek het maar eens op! 'Z' thuis het volume van je installatie knetterhard en ga los! Ga helemaal los! Ervaar het tenminste als… één speer… ik zeg toch: ‘één speer!’… oh neen… doe maar net alsof!!


dinsdag 29 september 2026

DE TROEP VAN EEN KLUSSER.

Als je het videootje te zien krijgt van mijn appartement van deze middag, denk je dat ik veranderd ben in een ‘hoarder’. Waarom? Omdat mijn hele kamer vol ligt met van alles en nog wat. Er staan kratten met boeken, cd’s, dvd’s. Één kast staat met zijn achterkant tegen een andere, leeggehaalde kast en kronkelend door de woonkamer ligt een tien meter lang stuk plastic. Een omgeflikkerde stoel met jassen eroverheen.
Een prachtig portret van mezelf, dat me jarenlang hing aan te kijken vanaf de woonkamerwand, staat nu opgesteld achter de gangdeur, alsof ik het niet meer wil zien. Dat klopt. Ik ben op zoek naar een ander geportretteerd figuur dat me tien jaar lang wil aanstaren. Misschien Vincent van Gogh wel. Ik zie nu op die video: er is iemand in mijn woning aanwezig. Iemand die hier niet thuis hoort. Zou zij deze troep veroorzaken?
Ze hinkel-de-pinkelt met een ladder tussen al die troep door. Loopt stukken behang van de muren af te rukken en flikkert die in het wilde weg om zich heen. Het is niet om aan te zien, die troep. Wie gaat dat allemaal weer een beetje ordelijk maken? Er worden waterleidingen losschroefd. Tevergeefs gaat ze zitten proberen plinten te verwijderen.
In de keuken staan vijftien rollen papier klaar. Ze pakt die rollen uit en knipt ze in stroken. De muren smeert ze in met dikke Bulgaarse yoghurt-pap en daarop plakt ze die stroken. Hinkel-de-pinkelend en zichzelf luid toezingend: "Pretty Woman" van Roy Orbison, is ze daarmee bezig. Tot ze alle muren en een deel van het raam beplakt heeft… het staat eigenlijk niet eens zo gek.
Dan worden er blikken geopend. Blikken blauwe smurrie. Die smijt ze op de muren. Niet op alle. Op de helft van de muren bij benadering. Heur armen, kleren, gezicht en haren zitten allengs vol blauwe plekken. Ook het driezitsbankje heeft een metamorfose ondergaan: rood met blauwe spikkels. Er is duidelijk in de blauwe smurrie gestaan, gezien het aantal voetstappen in de woonkamer en op het kleed.
Plots duikt zij op voor de videocamera. Ik zie en hoor haar zeggen: "Dat is nou waarom ik zo graag klus bij een ander, dan hoef ik zelf de zooi niet op te ruimen."


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com
















































maandag 28 september 2026

KOTSMISSELIJK

Over mijn voeten heb ik nog niks geschreven. Van jongs af aan zie ik mijn voeten als een tweeling, een eeneiige tweeling. Nooit heb ik ook maar het minste geringste verschilletje tussen die twee gezien. Vanzelfsprekend wáren die er soms wel. Als ik me bijvoorbeeld had verstapt. Met één verzwikte voet als gevolg.
Ik wéét het gewoon, maar zelfs voor mij en voor iedereen op de hele wereld is het niet mogelijk om aan mijn voeten te zien of ik links of rechts ben. Iedereen kan direct zien dat ik rechts ben als ik foebel. Met links bak ik er geen pepernoot van. Met rechts doe ik een kruimeltje meer.
Op winterse dagen was mijn tweeling ‘van de koukleumerige’. Aan de buitenkant: niks te zien. Soms kreeg ik echter de indruk dat er sprake was van een zekere  rivaliteit tussen die twee. Zo nu en dan: wie van de twee gaat het eerste die schoen in… heel raar… maar veel heftiger ervaarde ik een tweespalt met dat winterse warme badje, waar ze zich fijn in konden opwarmen voor de koude nacht. Als rechts als eerste wilde gaan spetteren, was zijn wil ook wet. Links kreeg dan echt geen voet aan de grond!
Het was een warme dag. Een dag zoals we er de laatste jaren veel hebben ook in het voorjaar al. Vriendin Ada en ik hadden een fijne strandwandeling gemaakt. Ik zat uit te puffen met de bal van mijn vermoeide blote voeten op de rand van de salontafel. Ada, een schat van een meid, zat ook bij te komen, in het geile, iets te strakke voetbalbroekje van haar zoontje en haar iets te ruime bh’tje. Ze zat te schommelen in die grandioze schommelstoel van mij. Op zeker moment, ik was al een beetje aan het wegdommelen, flapte Ada er, zonder erbij te lachen, uit dat ze kotsmisselijk wordt van de aanblik van grote blote voeten. Ik kon gewoonweg niet geloven dat ze meende wat ze zei, maar ik begreep al snel dat ze serieus was geweest. Op zijn zachtst gezegd voelde ik me flink op mijn 'teentjes' getrapt. Ik liet er geen gras over groeien en met een stalen gezicht grapte ik:
"Als ik die kleine tietjes van jou zie, Ada, heb ik altijd de grootst mogelijke moeite om niet in lachen uit te barsten."
Een half jaar later is het nu, de Kerstspulletjes liggen al in de schappen. Nog immer leven Ada en ik op voet van oorlog met elkaar. Ada denkt nog steeds dat ik het meende.
Tsja, wat moet ik daar dan mee? 
Ik koop dit jaar met de Kerst gewoon een paar stevige kaplaarzen voor haar: 'um in zu kotzen'.

Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com



















zondag 27 september 2026

HET GEWEER HANGT ONDER DE WEITAS.

Nu moet ik door! ‘A’ heb ik gezegd, nu moet ik ook ‘B’ zeggen. Waar ben ik gebleven? Bij de door mij als afzichtelijk ervaren vorm van mijn hoofd. De term rugbybalachtig gebruikte ik daarvoor. Echter: over het merendeel van m’n gezichtsdelen kan ik wel tevreden zijn. Mijn oren, neus, kin en lippen zijn bescheiden, fijntjes van formaat. Momenteel kan ik alleen niet zo tevreden meer zijn over de prestaties van mijn neus en oren, die gaan hard achteruit. Mijn vaak geprezen blauwe ogen vind ik zèlf wat te klein,om echt mooi te zijn. 

Ik ben vijf maal per week te vinden op de sportschool, maar beslist niet om me te ontwikkelen tot een soort Jerommeke uit de Suske en Wiske strips. Mijn biceps, triceps en core zijn magertjes, al zeg ik het zelf. Dat zou dus wel wat beter kunnen. Met die vijf keer in de week dat ik nu sport, houd ik mijn conditie en spiermassa op peil, meer niet. Wanneer ik een mooiere, gespierde ‘oudere’ zou willen worden, zal ik op de training een tandje bij moeten schakelen. 

Dan… ik kan er niet omheen… de schaamstreek. Mijn trots in deze regio, de donkerblonde bos schaamhaar van mijn jonge jaren, is niet meer. Tegenwoordig is mijn schaamstreek 'getooid' met een steeds verder uitdunnend plukje grijze haartjes, overigens geheel passend bij mijn ouderdom (76). 

Tsja, wat valt er verder over die schaamstreek van mij nog te zeggen? Als jonge, potente man was ik niet zo tevreden over de lengte van mijn lul. Te klein vond ik hem. Dermate onzeker was ik erover dat ik een vrouwelijke psychiater consulteerde. Voor die afspraak had de vrouw ook haar echtgenoot meegenomen. Op haar verzoek liet hij ‘hem’ aan mij zien. De diagnose luidde: pénis de taille normale. Niet te klein, niet te groot. Ik echt blij! En… ja, ik kan me natuurlijk vergissen, hoor, maar het leek net alsof er bij dat stel ook een stukje spanning wegebde… 

Ik ben zelf voor 90% impotent. 10% heb ik van de winter bij de andere tentspullen in de berging gezet. Mijn moeder, ze is er al bijna twintig jaar niet meer, had duidelijk te doen met ‘de impotente man’ in haar omgeving. Alsof zij door hem heen kon kijken, typeerde ze de man met de meesterlijke zegswijze: "Zijn geweer hangt onder zijn weitas." Zó grappig! 

Met viagra in de weitas schijnt 'ie' trouwens minder te gaan hangen.


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com

zaterdag 26 september 2026

EEN TANGVERLOSSING..

Het jasje, dat ik aan heb, zit een beetje krap. Ik lijk er een beetje iel in. Breed geschouderde ben ik allerminst. Het is weer typisch ‘Jos’. Ik ben in die 76 jaar dat ik leef, behoudens mijn prilste min of meer onbewuste jaren, eigenlijk nooit tevreden geweest met mijn lichaam. Mijn lichaam als geheel bedoel ik dan. Er zijn wel losse onderdelen waar ik tevreden over ben of waar ik ooit enige tijd tevreden over ben geweest. 

Een voorbeeld: ‘zo rond mijn twintigste’ was ik erg content met mijn haardos. Niet met al mijn haar. O, jasses neen! Alleen eigenlijk met het haar op mijn hoofd. Lang haar had ik, van mijn kruin, schedel, zo prachtig golvend tot op mijn (voor het mooie helaas iets te smalle) schouders. Met mijn sikje en bakkebaarden maakte ik goede sier, dus dat zat wel snor. 

Het haar op m’n andere lichaamsdelen, zoals schaamhaar, bilnaadhaar, okselhaar, borsthaar, onderarmhaar en handhaar, dat wàs er gewoon, zonder dat ik er nu speciaal iets van vond. Noch was ik er blij mee, noch vond ik het niks. Wat ik absoluut drie maal niks vond, waren de pikzwarte haren op mijn melkflessen. Zo duiden mijn klasgenoten mijn benen aan. Het waarom veronderstel ik als bekend bij de lezer. 


Waar ik ronduit alle jaren waarin ik me bewust was van mijn uiterlijk, niet blij mee ben geweest, was de vorm van mijn hoofd. Mijn hoofd heeft de vorm van een rugbybal. Nou… om het helemaal duidelijk te krijgen: mijn achterhoofd is precies als de spitse kant van de ovale rugbybal.

Tsja, ik heb dat hoofd nu eenmaal. Ma heeft me wel eens toevertrouwd dat zij nu eenmaal een te klein kutje had voor die grote kop van mij. Ze heeft het nooit met zoveel woorden gezegd, maar op zich zou het me niks verbazen als ik uiteindelijk een alom gevreesde tangverlossing was, met die rugbybal als teleurstellend gevolg. Ma’s kutje was, begrijpelijkerwijze door mijn entree in deze wrede wereld, flink uitgescheurd: onnoembaar veel hechtingen. Ma heeft me wel eens gezegd hoeveel het er waren maar ik ben de tel kwijt geraakt. Waarschijnlijk schudden mijn drie jongere zussen al die aangrijpende bevallingsfeitjes zo uit hun mouwen. Dat zijn per slot van rekening allemaal echte vrouwendingetjes, toch? 

Ik was trouwens de enige van al haar tien kinderen met zo'n ‘extreem-groot-puntig-rugbybalachtig-achterhoofd’. Kees, een ouwe schoolvriend van ma, heeft overigens datzelfde rare koppie. Maar dat zegt natuurlijk nog niks.


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com

vrijdag 25 september 2026

EEN BEETJE VERLIEFD.

Ik heb last van mijn nek. Ook nu, als ik zit te schrijven, voel ik die zeurende pijn. Het zal wel artrose zijn, zeggen mensen in mijn omgeving. 't Is niet zo dat ik ermee opsta en ermee naar bed ga. Neen. Ik word soms wakker en dan ben ik blij dat ik geen pijn heb. Helaas, meestal maar voor een paar uurtjes. Ik loop er ook voor bij een fysiotherapeut, Theo (30), die beslist zijn best doet, maar het blijft met zijn masseren op de vierkante decimeter toch dweilen met de kraan open. Die fysio is op zich een goeie vent. Een pure Hollander, alleen stukken kleiner dan de gemiddelde Nederlandse man. 1,63 meter is hij, schat ik. Hij zou een als kaaskop vermomde Chinese sumoworstelaar kunnen zijn. Tsjongejonge, wat heeft die man een omvangrijke biceps en borsten. De korte mouwtjes en de knoopjes van zijn luchtige overhemd staan bijna op knappen, wat, denk ik, betekent dat er geen grotere maat meer was. Een alternatief zou zijn dat hij in een hemdje zonder mouwen of in zijn blote body zou gaan masseren. Maar dat zal tegen de Algemene Richtlijnen voor de Fysiotherapeut zijn. 

Ik weet niet beter of Theo doet zijn werk met plezier. Niet dat hij nu buitengewone gelukzaligheid uitstraalt, neen, dat nou ook weer niet. Maar hij is in zijn werk relaxed, gefocust en hij kan heel goed luisteren. Ook is hij geïnteresseerd in de mens achter de patiënt, want als hij mijn rode polsbandje ziet, het toegangsbewijs voor de Kunsthal, vraagt hij welke expositie ik gezien heb. Ik vertel hem dat ik Woody van Amen heb gezien. Een Rotterdamse kunstenaar. Grappig, verrassend af en toe, inventief soms. Maar absoluut geen mondiale grootheid. 

Het is zo ongeveer kwart over vijf als ik op Theo's massagetafel lig. Theo is bijna klaar voor vandaag. Hij is zwijgzaam. Gelukkig is hij niet geïnfecteerd met het irritante kappersbabbel-virus: "Al op vakantie geweest, meneer Mastwijk?" 

Neen, niet die babbel, maar wie schetst mijn verbazing als Theo tot mijn ontsteltenis vlak boven mijn hoofd, al masserend, gaat staan fluiten en dan ook nog een lied van Hazes: 'Een beetje verliefd'. 

Mijn nekharen schieten meteen overeind: "Ga jij hier nou vlak boven mijn hoofd staan te fluiten, Theo?" 

"Ja," zegt hij, "u bent nummer tien vandaag die ik een half uur moest masseren. Moet ik even van uitblazen, hoor." 

"Luister, Theo, ik wil dat je dat nooit meer doet als ik hier door jou behandeld word. Dat gefluit van je is nog te verteren maar van dat Hazes-lied ga ik compleet over mijn nek." 

Theo is klaar met mij en ook zijn werkdag zit er op. 

'Bel maar als u last heeft."


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com