zaterdag 7 februari 2026

ELF JAAR EERDER (9) BIEB.

Het is maandag, één uur in de middag en hartstikke druk voor de ingang van de bieb. De toegangsdeur gaat weldra open. Op andere dagen opent de bieb om tien uur ’s ochtends. ’s Ochtends staan er ook wel wat mensen te wachten tot ze naar binnen mogen maar dat zijn er niet zo veel.

Nu, op deze maandag, staan tientallen mensen, bijna te trappelen van ongeduld om naar binnen te mogen. Wat de wachtenden vandaag extra onrustig maakt is het slechte weer: koud en nat.

Ik moet zelf ook nog tien minuten wachten. Op de bovenste verdieping van de bieb heb ik een werkruimte gereserveerd voor mij en de dertig jarige Poolse Irina. Ik geef Nederlandse les aan haar. Zij is er nog niet. Het is nog vroeg.

Helemaal vooraan,  staan, bijna tegen de deur aangeplakt, veel studentikoze types. Ze staan startklaar voor de race om de beste studeerplekjes op de vijfde en zesde verdieping.  
Natuurlijk zijn er ook behoorlijk wat mensen, die alleen maar een boek komen terugbrengen en een nieuw boek gaan lenen. Die staan meestal niet zo te dringen, die staan op enkele tientallen meters afstand toe te kijken, wachten rustig af tot de deur opengaat en de grootste drukte weg is.

Voor sommige mensen, die hier staan te wachten is de bieb, in herfst en winter,  een uitkomst pur sang. Daklozen bijvoorbeeld, zij vinden hier warmte en onderdak, pakken nu hier eens een foldertje dan weer daar een boek. Ze lezen, kijken tv of computeren wat. De hele tijd op één plek ‘hangen’ mogen ze immers niet. Doen ze dat toch dan worden ze er uit uitgestuurd. Daarom ook liften of roltrappen ze van de ene naar de andere verdieping, totdat het om zeven uur ’s avonds tijd wordt om wat te eten en naar de nachtopvang te gaan.

Dan zie ik Leen; hij ziet mij ook. We kennen elkaar van de sportschool en van het IFFR (het  internationale filmfestival van Rotterdam). Leen is een goed geconserveerde zeventiger. Vijfenzeventig jaar moet hij inmiddels zijn. Hij lijkt wel zestig; gebruinde kop, geen rimpeltje te zien, slank. We hebben een paar jaar samen op de sportschool gespind: … heel hard gefietst maar geen meter vooruitgekomen.  Leen is toen van de ene op de andere dag naar een andere sportschool gegaan, zonder afscheid te nemen. Dat vond ik wel een beetje lullig van hem…. dat zeg ik hem ook …. kan die ook best wel inkomen.

Leen en ik hebben ook een paar jaar als vrijwilliger gewerkt voor h
et IFFR. We waren ‘zaalwacht’ , controleur van de toegangskaartjes. Dat gaat Leen in januari 2015 weer doen. Ik niet meer,  ... ik ga alleen nog maar naar films kijken.
Leen wil nog wel even aan me kwijt dat hij hier niet is gekomen om boeken te lenen. Zijn zoon heeft hem gevraagd wat boeken terug te brengen. Zelf is hij niet zo’n lezer.
‘Wat kom jij hier eigenlijk doen?’ vraagt hij aan mij.
‘Nou,’ zeg ik, ’ik geef Nederlandse les aan ... aan háár.’ Ik wijs naar de kleine Irina, die, geheel gekleed in het blauw, lachend naar ons toe loopt.
‘Zoooo, leuke vrouw!’ zegt Leen en hij verdwijnt met die grote groep de bieb in.

 Irina en ik geven elkaar een handje: ‘Altijd zó druk hier!’ zegt ze.

vrijdag 6 februari 2026

ELF JAAR EERDER (8) DOUCHE

Als ik in de loop van de ochtend, na een fikse wandeling  met Router, onze hond, de woonkamer binnenstap, zie ik tot mijn grote verbazing een man op de bank zitten, die ik niet ken.  Router slaat meteen aan en gaat afwisselend staan blaffen en grommen naar hem. De man voelt zich ongemakkelijk  door de reactie van Router maar echt in  de war raakt hij er ook niet van.

‘Af Router, af,’ roep ik. Router kruipt braaf onder de bank, precies onder de plek waar de man zit. De man zit aan de koffie en mijn eerste gedachte is: dat is vast de meteropnemer voor het waterverbruik. Mijn vrouw heeft hem een bakkie koffie gegeven om een beetje op te warmen. Want het blijft maar ijskoud! Het vreemde alleen is dat mijn vrouw in geen velden of wegen is te bekennen. Ik roep nog: ‘Mirjam, Mirjam,’ want zo heet ze. Maar er komt geen reactie.

Ik stel me maar even aan die kerel voor: ‘Hans de Raaf’. Hij stelt zich aan mij voor als Nico Jaspers. Router gromt en ligt vlak naast Jaspers zijn voeten te kwijlen. ‘Af, Router, ga af!’

‘Laat me eens raden: U komt zeker voor mijn vrouw, meneer Jaspers?’
‘Ja, inderdaad, ik kom voor uw vrouw.’
‘Had u misschien iets afgesproken?’ vroeg ik.
‘Ja, om 10 uur vanochtend’ zei Jaspers, ‘we hebben elkaar ook al gezien, maar ze moest  even een boodschap doen. Ze dacht binnen het uur weer terug te zijn. Ik kon hier wel even wachten. Als mijn man komt, zei uw vrouw nog, zeg hem dan maar dat ik even naar het Kruidvat ben.’

‘Wat komt u hier eigenlijk doen, heer Jaspers?’
‘Tja, ik kom hier om uw douche te repareren. Volgens uw vrouw is de douche onbetrouwbaar: nu eens geeft ie een lekkere warme straal, dan weer een ijskoude en dan is ie ineens weer kokend heet. Zij moet dus steeds weer snel onder de douche vandaan springen. Het is volgens haar om gek van te worden.’ Router blijft onrustig. Zachtjes jankend ligt hij onder de bank; onder Jaspers. ‘Stil Router!’ zeg ik.

‘En nu geniet u van een lekker bakkie koffie alvorens u uw gereedschapstas pakt en in de douche aan de slag gaat,’ zegt Hans.

‘Nee, ik  ….. o, nu denk ik er ineens pas aan, dat uw vrouw mij ook vroeg u te zeggen dat er ook voor ù nog een bakkie koffie in de keuken staat ….. en een rose koek … die zijn echt lekker!’ zei Jaspers, ‘maar u zei dat ik aan de slag kon gaan in de douche …. Dat is niet meer nodig, hoor.’

‘Hè? Niet meer nodig?’ zegt Hans de Raaf.

‘Nee, dat hoeft niet meer, voorlopig niet in ieder geval, want ik ben al klaar met het klusje,’ zegt Jaspers.

‘Oké,  u zit hier gewoon nog even uw koffie op te drinken en dan ….

‘Nee, nee,’ zegt Jaspers,’ als uw vrouw straks terug is, ga ik nog even controleren of de temperatuur van de warmwaterstraal nu constant blijft en of er geen rare schommelingen meer zijn van ijskoud naar kokend heet. Uw vrouw durft  dat, gezien haar slechte ervaringen met de douche, niet zelf te controleren. Ik wil dat wel voor u doen. Daar heb ik geen bezwaar tegen. Als ze straks terug is van het Kruidvat, met mijn anti-allergie douchegel, dan spring ik hier gewoon even lekker onder de douche.


donderdag 5 februari 2026

ELF JAAR EERDER (7) PAPA.

PAPA.

Wat een kou deze vrijdag! Gelukkig hoef ik niet lang buiten te zijn. Op vrijdag passen mijn vrouw en ik altijd op onze  kleinzoon Bent. Dus we moeten in ieder geval van Rotterdam naar Dordrecht reizen. Dan zitten we voornamelijk in de trein.  Een halve kilometer fietsen van huis, naar NS Station Blaak en een halve kilometer lopen van Station Dordt naar het huis Bent. Wat een venijnig koude wind! Het is echt weer voor een bivakmuts, om ook de wangen warm te houden. 
Het is nog donker als we van huis gaan en het is ook nog donker als we bij de kleine Bent arriveren. Tegen acht uur doet mijn zoon Ralf de deur voor ons open. Bent is dan al lang wakker en ... en aan het werk:  hij is bezig met zijn verzameling houten blokken kriskras door de woonkamer te gooien. Als hij merkt dat opa en oma  binnenkomen, stopt hij zijn gooi- en smijtwerk en kruipt razendsnel naar me toe …  gaat dan op zijn knieën vòòr me zitten, tilt zijn beide armen omhoog en lacht alsof hij wil zeggen: ‘Optillen opa!’

Vervolgens begint Bent wat woorden te brabbelen, vooral onverstaanbare; maar het woord dat er nu boven uitspringt is: ‘Papa!!’ Als ik hem optil kijkt Bent direct naar de wandkast naast ons en daarin  staat een foto van papa Ralf. Daar wijst hij naar en zegt hij ….: ‘Papa!’ 

Bent is gek op papa Ralf.  Vandaag zag ik Bent rommelen met zijn blokken, spelen met een dinky-toy, of hoorde ik hem wat brabbelen boven een opengeslagen waterproof leesboek ... en dan ...opeens, is hij niet meer één en al spel en gebrabbel: draait zich om, wijst naar de foto in de wandkast en roept dan luid en verrukt: ‘Papa!!’

Hij kent al wat meer woorden: kikkers en eenden noemt hij ‘kakkak’; alle poezen zijn  ‘aai’; een koe wordt bij hem: ‘boeoeoe’, een hond is 'ahh-ahh' en daarbij slaat hij hard met zijn hiel op de grond. 

Ik had verwacht dat hij het woord ‘lekker’ al zou kennen maar niet dus. Wel heeft hij een duidelijk gebaar om aan te geven dat hij iets lekker vindt: hij strekt zijn arm opzij en beweegt die dan heen en weer.

Hij eet graag boterhammen. Drie stuks, zo rond twaalf uur ’s middags. Twee met appelstroop en een met smeerkaas. Natuurlijk in kleine stukken gesneden. Alleen al het klaarmaken wordt voor mij een behoorlijke kleefboel: drie tamelijk slappe, witte boterhammen in kleine stukken snijden ... Maar goed mijn vingers zijn zo afgelikt en gewassen en ik vind het nog lekker ook. Bent weigert overigens elk stukje brood, dat hij niet zèlf mag pakken en niet zelf in zijn mond mag stoppen. Ook nu dus kleeftroep: handen, gezicht en mouwen onder een combinatie van smeerkaas en appelstroop. Vurrukkulluk. Bent mag dan wel zelf zijn goed belegde stukje brood pakken, het tempo waarin dat gaat bepaal ik of oma. Want Bent heeft de neiging om twaalf stukken brood achter elkaar naar binnen te proppen en ze vervolgens weer uit te kotsen.

Ondanks de bittere kou, hebben we deze vanmiddag toch nog een uur gewandeld door de mooie Dordtse binnenstad. Van zo’n hele dag binnen zitten word je zo duf ... en uit de wind en in de zon, was zo af en toe best effe lekker. Vond Bent ook. Hij wilde zelfs geen handschoenen aan. 

woensdag 4 februari 2026

ELF JAAR EERDER (6) GEEN HOTEL

Vanmorgen vroeg mijn vrouw zich af, hoe vaak ze het me nog moest vragen, voordat ik eindelijk de koelkast eens ging ontdooien en wat ging doen aan de de haperende afvoer van de wastafel in de badkamer.
‘Geen idee,’ was mijn reactie en eerlijk is eerlijk, ik heb werkelijk geen idee wanneer ik daar aan toe kom. Ik kon me trouwens ook niet  herinneren, dat ze het mij ooit gevraagd had. En dat hoefde ook helemaal niet, want op zich zijn dat twee taken van mij. Ik zei tegen haar: ’dat ik die dingen dit jaar heus nog wel een keer zal doen.’

Ze vond het toen nodig, om mij op luide en verontwaardigde toon, duidelijk te maken dat het hier (daarmee bedoelde ze ons huis)  geen ‘hotel’ was.

Alsof mij dat nog niet duidelijk was. Ik zeem in dit huis de ramen en maak het houtwerk  gelijk schoon. Ik kook drie keer per week, doe alle dagen de afwas (mijn vrouw droogt af), koop op zaterdagochtend de grotere hoeveelheden, wat zwaardere boodschappen, ga in Vlaardingen een goed en goedkoper soort kattenvoer halen, ik koop voor zes weken kattenbaksteentjes; maandelijks verschoon en ververs ik de kattenbak, wekelijks breng ik de volle vuilniszakken en onze privépapierbak naar het afvalverzamelpunt in de straat; een keer per maand leeg ik onze persoonlijke glasbak in die van de gemeente, een paar straten verderop. Verder doe ik verschillende wassen: donkere, witte, gekleurde en de wolwas; en dan natuurlijk ook het ophangen afhalen en opruimen van die wasjes; dit laatste doe ik samen met mijn vrouw, dat zal zo’n beetje neer komen op fifty/fifty. Dat zijn toch allemaal dingen waar ik absoluut niet aan zou beginnen als ik in een hotel zou zitten. Ik zou haast zeggen ‘zo gek ben ik nou ook weer niet.’

Overigens, vroeg ik haar nu op mijn beurt, ‘een paart maandjes terug,  ben ik  twee à drie weken bezig geweest met  witten van het huis. Ook zoiets waar je niet opkomt als je denkt in een hotel te wonen: dan laat je meestal iemand komen.
Ik was niet besteld en toch lekker bezig als herfstschilder. Betalen hoef je hem niet want zowel jij als ik weten: het is hier geen hotel. Vreemd echter vind ik wel, dat ik nooit een waarderende opmerking van mijn vrouw heb gehoord over dat schilderwerk.

‘Aha’, zei ze toen, ‘een pluimpje! Dààr was het meneer dus om te doen. Het ging jou niet om de schilderklus. Het ging er jou om een pluimpje van mij te krijgen.’

‘Nou ja,’ zei ik, ’ik bedoel te zeggen dat ik het nogal vreemd vond,  dat jij niet wou zien  dat ons huis gewit werd. En …. of je daar nou iets goeds of iets kwaads over gezegd zou hebben, dat zou me echt geen moer kunnen schelen. Het leek haast wel of je wilde negeren wat ik aan het doen was.’

Moe en dorstig van al dit slap gezeik, ga ik een glas Spa Rood in schenken.
‘Schenk voor mij ook gelijk een Spaatje Rood in? ’vraagt mijn vrouw.

‘Ja, daaaaag, het is hier geen hotel!’ 

dinsdag 3 februari 2026

ELF JAAR EERDER (5) ONNODIG KWETSEN

 Mijn vrouw zei dat ze een avondje was wezen stappen. Ik lag in die periode net met een zware longontsteking in het ziekenhuis.

Ik vroeg: ’Wezen stappen? Met wie dan?’
‘Wat ‘met wie dan’? vroeg mijn vrouw.

‘Gewoon, met wie je dan bent wezen stappen,'? zei ik.

‘Dat ga ik jou niet vertellen hoor …,’zei mijn vrouw. Nee, dat vind ik onnodig kwetsend zowel voor hem als voor jou. Ik denk dat het voor jou niet echt okee zou zijn als ik jou over al mijn kleine verliefdheden zou gaan vertellen.’

‘Al je kleine verliefdheden? …….. zijn het er dan zo veel?’ vroeg ik.

‘Ik weet niet precies hoeveel, hoor, maar het gaat meestal snel over.  En het gebeurt alleen maar in mij hoofd hè. Die ander weet nergens van. Ze zijn meestal van op mijn werk. Soms heb ik er wel eens twee op een dag. Het gebeurt ook dat ik een maand lang één kleine verliefdheid heb. Heb jij dan nooit zoiets?’ zei zij.

‘Uhm, om je de waarheid te zeggen …. ja, ik heb bijvoorbeeld zo’n kleine verliefdheid met …’

‘Nee stop!’, zei zij, ‘dat wil ik niet horen. Wat jij met een ander hebt of wil hebben of denkt te hebben, dat hoef ik niet te weten, hoef ik niet te horen.’ zei zij.

‘Van zo’n kleine verliefdheid heb jij meestal geen last hoor, schatje,’ zei zij, ‘nee, want ik doe meestal toch niks met zo’n kleine verliefdheid.’

‘Meestal doe je niks met zo’n kleine verliefdheid?’ zei hij, ’meestal…’

‘Nou ja, ik bedoel niet helemáál niks natuurlijk: ik haal wel eens een kop koffie voor hem, of geef hem een boterham van mij als hij trek heeft, ik lach vriendelijk naar hem als ik met hem in de metro zit. Met sommigen doe ik inderdaad helemaal niks: dan kijk ik stuurs voor me uit als hij naast me zit. Wat ik wil zeggen, is dat jij heus niet bang hoeft te zijn dat je iets te kort komt, hoor. Want het is allemaal even vluchtig even luchtig; het is meestal zo weer over. Een heel enkele keer, wordt die kleine verliefdheid wel eens wat heftiger …’ zei zij.

‘Ja, ‘ zei hij,’ zo had ik laatst een tamelijk heftige kleine verliefdheid met Loreena,’

‘Hè dat had je nou niet moeten zeggen, wat zei je nou? …… Loreena ……. wat? Die stagiaire?  Wat heb jij daar mee gehad? Die is toch veel te jong?’ zei zij.

‘We zijn na het werk wat gaan drinken in pub tegenover de zaak. Aan de bar gezeten, gedronken, gepraat,  gelachen, gestreeld,’ zei hij, ‘ik heb Loreena daarna even met de auto thuis gebracht. We hebben gezoend. ‘And that’s all!'’

‘Zo’, zei zij, ‘dus jullie hebben gezoend? Getongzoend soms? Nee, dat zal wel niet hè?’

‘Nee, Loreena en ik hebben elkaar een zoen op de mond gegeven. Met gesloten mond. En maak je er nou alsjeblieft niet onnodig druk over, want dit stelt allemaal niks voor,’ zei hij. Loreena heeft een leuke vriend en ik heb een leuke vrouw en dat willen we allebei zo houden, toch?’

‘Oh, zei zij, wanneer bij mij een kleine verliefdheid eens wat heftiger wordt, dan kan het wel eens gebeuren, dat mijn fantasie een beetje op hol slaat …dan haal ik me 's nachts allerlei spannende dingen in mijn hoofd … maar dat is op zich heel onschuldig.’

‘Okee,’ zei hij, ‘ en met wie heb je dan nu die heftige kleine verliefdheid? ….. O, nee, dat mag ik niet weten, hè? ….. dat zou me toch alleen maar onnodig kwetsen????

maandag 2 februari 2026

ELF JAAR EERDER (4) VOGELS

Ik had er opeens schoon genoeg van, van  al  die kwieke vogels op ons balkon. Natuurlijk, het is hartstikke leuk als je vanuit de woonkamer, die op het balkon uitkomt, het komen en gaan kan bekijken van onze gevederde vrienden. Soms zijn we getuige van een kleine onderlinge vechtpartij tussen wat ongedurige spreeuwen. De spreeuwen komen op die lekkere en voedzame dingen af, die we voor de vogels op het balkon hebben opgehangen. Helaas blijft deze voederplek voor vogels geen geheim voor spreeuwen alleen. De vogeltamtam werkt uitstekend. Na de spreeuwen melden zich de koolmeesjes, die een soort lijnverbinding lijken te hebben met ons balkon. Vooral op de inhoud van de pot pindakaas zijn ze dol. Dat potje is precies groot genoeg voor een koolmees, trouwens ook voor de pimpelmees maar die zien we zelden. Voor spreeuwen is die pindakaaspot niks. Ze pletteren die pot steeds op de grond. Gelukkig zijn die potten wel behoorlijk stevig. Ze breken echt nooit. Vogels van alle soorten, maten en kleuren vertonen zich op ons balkon, terwijl we toch alleen maar een stuk of vijftig pinda’s in de schil aan een touwtje rijgen en ophangen aan de waslijn. Die gebruiken we toch nooit in de winter. 

Een groot succes, vooral bij de mezen, zijn (logisch eigenlijk wel)  de mezenballen. In alle standen peuzelen ze de ballen op.  Ook eksters willen wel wat eten van de mezenbal maar zij geven er de voorkeur aan om een hele bal of een deel er van mee te nemen. Met hun angstaanjagende gekras slagen ze er in om veel lieve vogeltjes de stuipen op het lijf te jagen. Eigenlijk is ons balkon een soort mini restaurant voor lieve kleine vogels. Maar  ja, ze zijn moeilijk tegen te houden, die relatief grote vogels: de duiven, de halsbandparkieten, de eksters en gaaien hoewel die gaaien nog zo erg niet zijn. We hadden eens een keer een appel in het gietijzeren balkonhek vastgezet. Binnen de kortste keren zien we een halsbandparkiet er met die hele appel vandoor gaan.

Die gaaien daarentegen zijn eerder te lief! Afgelopen zomer hoorde ik een hels kabaal op ons binnenterrein; twee gaaien gingen woedend te keer tegen een paar kraaien die het gaaiennestje hadden leeggeroofd. Toen ik even later op het binnenterrein was zag ik drie gaaienlijkjes liggen. Triest. Die kraaien hadden niet eens de moeite genomen dit lekkere hapje op te peuzelen
Al die kleine vogels zijn echt leuk: roodborstjes, vinken, mussen, en ook de wat grotere: merels en lijsters.
Het vervelende van de grotere vogels is dat ze de kleinere verjagen. Maar vreemd genoeg: van de grootste van die vogels, de duif, is vrijwel geen enkele kleine vogel
bang. Ja, als de duif ff flink met zijn vleugels klapt dat vliegen er wel wat kleintjes op, maar die zijn ook zo weer terug op hun ouwe stek.
Opeens had ik er dus schoon genoeg van, van al die stront op ons balkon.  Laatst, met oud en nieuw, ging al mijn visite op het balkon staan kijken aar het vuurwerk. In een mum van tijd was alle vogelpoep onze woonkamer in gelopen. En vorige week wilde ik wat glaswerk weggooien in onze eigen glasbak gleed ik uit over die verraderlijk gladde kakkederrie … lag ik in een spagaat op mijn balkon. Dat was voor ons de limit. Mijn vrouw heeft al het wintervogelvoer dat we nog in voorraad hadden op het binnenterrein opgehangen.

Sindsdien is het een stuk rustiger bij ons op het balkon en schoner.

zondag 1 februari 2026

ELF JAAR EERDER (3) VERKOUDEN

 Ik ben een beetje ziek. Gisteren was ik dat ook al maar vandaag een klein beetje meer. Mijn temperatuur vandaag is 39,5 en gisteren  39. Het stelt allemaal niet zo veel voor hoor: ik heb alleen maar hoofdpijn, kriebelhoest  en last van benauwdheid. Kouwe rillingen trekken over mijn rug; af en toe is mijn lijf één groot kippenvel. Ik snuit me een ongeluk. Dat schijnt een goed teken te zijn. Mijn moeder zaliger zei altijd al: ’Dan komt de verkoudheid goed los.’

Dit is de eerste verkoudheid, waarbij ik geen ouderwetse boerenzakdoek gebruik maar uitsluitend de papieren van het merk  Tempo. Maar het scheelt nogal,  zo’n boerenzakdoek of zo’n papieren Tempootje. In zo’n rode boerenzakdoek snoot ik gemiddeld tien keer, voordat ik er een pot thee van trok …. nee, nee, grapje ….. voordat ik hem in de wasmand deed. In zo’n Tempo-pakje zitten tien papieren zakdoekjes, die je elk maar één keer kunt gebruiken en … zo  is mijn ervaring van vandaag, dan zit het meeste snot nog aan mijn vingers ook. Ik ben wel blij dat mijn snot tot op heden helder is. Misschien komt het nog, maar persoonlijk vind ik de taaiere groenige snotkwakjes er vooral voor anderen onsmakelijk uitzien. In die boerenzakdoeken was dat simpel weg te proppen maar snot van zo’n Tempootje blijft ongegeneerd aan je handen kleven.
Ik nies me ook een ongeluk. Ik zat in de bioscoop; er zitten twee vrouwen naast me, één links en één rechts. Opeens voel ik de nieskriebel aankomen maar ik kan noch naar links en noch naar rechts. Dus instinctmatig duik ik naar voren, ik houd mijn hand nog wel voor mijn mond maar de nek van de man voor mij was toch flink vochtig geworden. De man keek even ontstemd om en veegde de boel met zijn sjaaltje droog.

Vanmorgen was ik op de sportschool, ja want zo ben ik nou ook wel weer, de sportschool gaat gewoon door, verkouden of niet. Ik was aan het fietsen en ja, hoor, weer een niesimpuls. Weer aan allebei de kanten dames. Bijzonder fraaie afgetrainde sportdames. Dan kies ik ervoor om gewoon recht op mijn fiets te blijven zitten en te niesen. Ik had alleen mijn hand om voor mijn mond te houden, was te laat om mijn handdoek te pakken. Het was echter een buitengewone nies, die zowel naar links als naar rechts krachtig wegspoot. Geheel in stereo lieten de fraaie sportdames mij weten dat ik een gore ouwe viezerik was. Dat vond ik wel wat  overdreven maar een beet je gelijk hadden ze toch wel. Ik excuseerde me. De dames pakten mij mijn handdoek af en veegden daarmee hun armen en gezicht schoon.  'Niet meer doen hè, ouwe?' 

Van kriebelhoestjes krijg ik het een beetje benauwd. Het zijn van die korte hoestjes heel vlug achter elkaar, die van vrij hoog in de longen komen. Is er wat aan te doen? Gelukkig wel. Kruidvat heeft Daro Droge Hoestsiroop. Een dikke suikersiroop creëert een beschermend filmlaagje in de keel .
Daarnaast verkoopt een grote snoepspeciaalzaak  in de Zwartjanstraat een verrukkelijke honingdrop die de kriebelhoest tot een minimum beperkt. Met die drop en de hoestsiroop kom ik deze dag en de komende dagen wel door.


Eerder gepubliceerd in februari 2015