Pageviews van de afgelopen week

zondag 4 oktober 2026

VAN JE STOEL VALLEN.

Met mijn buurvrouw Stella loop ik in de Kunsthal. Daar is een expositie van stoelen in alle soorten, maten en de meest uiteenlopende materialen. Een flink stel meubelmakers/kunstenaars vervaardigden stoelen die hier voor de duur van deze expositie, tot en met 31 januari 2027, de gevierde diva's zullen zijn. Het is een betoverende tentoonstelling.

Onder regie van theatermaker en beeldend kunstenaar Robert Wilson worden meer dan 150 bijzondere stoelen getoond uit de privécollectie van Thierry Barbier-Mueller.
Voor een uitgebreide toelichting hierop verwijs ik graag naar de Gids voor bezoekers van deze tentoonstelling, die verkrijgbaar is na aankoop van een entree-ticket. Ook googelend is hier meer over te lezen.
Tsjonge, wat een belangstelling. Waarom loop ik hier met Stella rond? In eerste instantie omdat ik elke dag iets bijzonders te doen wil hebben. Iets extra-ordinairs. Geen koffie zetten, afwassen of stofzuigen dus. Daarnaast vind ik het zeker ook leuk om op een mooi oktober-middagje als vandaag met Stella iets leuks te doen. Zij heeft er blijkbaar ook wel zin in en vraagt: "Wah wazzie vah plah dah?"
Een eindje wandelen in het bos, een bioscopie of poffertjes eten had ook gekund, maar toch… te gewoontjes. Ik app haar:
"Kunsthal… Stoelen."
"Leuk," zegt ze.
We doen een bakkie en een hapje lunch en gaan richting die stoelen. Zij zit op de details. Veel meer dan ik. Van wat voor spul is de stoel gemaakt. Ik zit meer op de grote lijnen. Lijnen van zitbaarheid en de (on)wankelbaarheid. Mij raakt de schoonheid van de stoel niet zozeer. Ik zit met name op het zitcomfort, de zit-haalbaarheid en de zit-veiligheid.
Exposities als deze zitten in mijn dagprogramma, omdat ik elke dag iets bijzonders, verrassends, verbazingswekkends wil zien. Jaaa, eigenlijk — en ik geneer me er wel een beetje voor om dit nu zo op te schrijven — ik wil elke dag van verbazing van mijn stoel vallen, al is het maar een heel klein beetje.
Op de stoelen mocht niet gezeten worden. Jammer! Had ik graag gedaan. Al was het maar op één.
Ik steek het niet onder stoelen of banken.
Gefundenes Fressen? Ja! So what?!


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com



















































zaterdag 3 oktober 2026

LEZERSLIJST.

Eerlijk gezegd interesseert het me geen flikker. Maar nu het me zo voor de voeten geworpen wordt, gooi ik het niet meteen in de prullenbak. Waar het over gaat? Lezerslijsten. De laatste twee maanden krijg ik wekelijks lezerslijsten toegestuurd van Blogger. Dat is de organisatie die mijn stukjes publiceert. Op die lijsten staan de namen van de mensen die mijn stukjes lezen. Mij volgen, zeg maar.
Blogger heeft jarenlang juist geen lezerslijsten voor me willen opstellen, juist omdat ik te weinig gelezen werd. Maar nu, nu mijn stukjes met de dag populairder worden (minstens 100 lezers trekt elk stukje), nu besluit Blogger om mij de wekelijkse lezerslijst toe te sturen. 
Héél grappig en verrassend. Nimmer had ik me bijvoorbeeld gerealiseerd dat ik buiten Rotterdam gelezen werd. Maar, ongelogen, mijn lezers wonen werkelijk in alle uithoeken van de wereld. Al die lezers in den vreemde moeten Nederlands kunnen lezen, want mijn schrijfsels zijn nog nooit vertaald. 
Nòg verrassender: ik zag twee bekende namen. Één van een geëmigreerde neef van me in Zuid-Afrika (een ongegeneerde racist) en Juliëta, een bevriende cinéaste uit Argentinië. We hadden veel lol tijdens het IFFR van 2000. Toen kon ze geen woord Nederlands. En nu? Geen idee. Ik denk het niet. Misschien kijkt ze alleen maar naar die column, geschreven door haar oude Rotterdamse vriendje in die rare Nederlandse taal.
Ik ben geen lieverdje, zeker ook als stukjesschrijver niet. Mijn stukjes bevatten nogal eens wat cynisme. Ik kan het bloed bij sommige van mijn buren bijvoorbeeld onder hun nagels vandaan halen… anderzijds kunnen sommigen van die buren mijn bloed weer drinken.
Zoals het neo-fascistische Mona-toetje en het o zo lollige buurmannetje dat opeens niet meer kan praten als zijn ega in de buurt is. Ha, ha, ze weten ook nog precies dat ik hèn bedoel en… het is toch van de rare… gretig vreten ze al mijn schrijfsels.
Familieleden, kennissen, oud-collega's, ja, zelfs oud-klasgenoten van de middelbare school vermaken zich kennelijk prima met mijn verhaaltjes. Zelfs al deel ik zo nu en dan een flinke (figuurlijke) oplawaai uit.
Van verbazing viel ik haast van mijn stoel toen ik op de lezerslijst de namen zag staan van een aantal mensen dat bij hoog en bij laag beweerde en nog steeds beweert dat ze mijn stukjes absoluut niet lezen, en ook niet willen, nooit willen lezen.
Ik ben oprecht en eerlijk: dit stukje is nooit geschreven. Schrijven? Wat is dat? Kan je dat dan lezen? Neen!


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com






















































































vrijdag 2 oktober 2026

EEN KLEINE MAN.

 EEN KLEINE MAN

Kleine mannetjes worden door mijn moeder zaliger, oneerbiedig ‘onderdeurtjes’ genoemd. Van kleine mannetjes kennen we allemaal de stereotypen: autoritair, dominant, druk, luid pratend, snel aangebrand. Iedereen kent er wel een: een neef, een collega of een buurman.
Niemand, behalve Winny, mijn ex, kent mijn schoonvader Frits. Hij is al lang dood. Frits was nog geen 1,60 meter. Neen, geen lilliputter. Gewoon een normaal piepklein kereltje. Ik leerde hem pas kennen toen hij 72 was. Dat ging trouwens niet van een leien dakje.
Mijn vriendin Winny was de oogappel van haar vader, Frits. Apart aan deze vader en dochter was dat hij haar verwekte op vijftigjarige leeftijd. Schoonmoeder Marchje was destijds ook al aardig op leeftijd voor een aanstaande moeder: 42. Fier was pa Frits op zijn uitzonderlijke prestatie.
Vader Frits vervulde ondanks zijn hoge leeftijd de vaderrol gretig en met allure. Hij wandelde vrolijk in weer en wind door bos en hei met zijn dochter, die inmiddels een kop groter was dan paps. Ze bezochten musea, discussieerden fel met elkaar en… Frits verrichtte een heldendaad, want hij speelde het klaar om haar, nadat Winny gezakt was voor het toelatingsexamen voor de Academie voor Beeldende Kunsten, de directeur van die school te bewegen haar toch tot die opleiding toe te laten.
Als kleine, stoere, macho en trotse vader van een 22-jarige prachtige blondine zette hij niet alleen zijn hakken in het zand, maar barricadeerde hij ook de toegang tot 'zijn' woonkamer. Als het aan hem had gelegen, had ik een straatverbod opgelegd gekregen.
Dat langharig tuig, met zijn onverzorgde uiterlijk, bakkebaarden, pluizig sikje, een nietsnut uit een arbeidersnest, een communist nota bene, ook dat nog. Bij Gods gratie mocht ik na een half jaar een kopje thee drinken in Winny's kleine kamertje, waar ook poes Hompie figureerde, bij wie ik evenmin welkom was.
In het nest waar ik opgroeide, was nooit discussie. Hard geschreeuw en vechten soms. Frits wilde discussie over politieke, religieuze, sociale kwesties. Koude oorlog, homoseksualiteit, abortus… Hij had er geen enkel probleem mee om homoseksuele mannen 'strontneukers' te noemen. Van woede klapte ik dicht. Had nooit geleerd om met beheersing te reageren op hufterigheid. Nog steeds ben ik een notoire beginneling op dat gebied. Dankzij mijn moeder ben ik prima geschoold: atheneum, hbo, universiteit, maar behoorlijk praten, discussiëren kan ik niet. Nog steeds niet.
Frits was dood en gecremeerd toen zijn grote kleinzoon (82 cm) ter wereld kwam. Winny en ook ik besloten desondanks ons eerste kind naar Frits (Frederik Jurjen) te noemen: Freek werd het.

Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com


















































































donderdag 1 oktober 2026

HET SYNDROOM VAN DOWN KNOCK DOWN!

Bijna zou ik mijn eigen diepe ellende als kind, in de tweede helft van de vorige eeuw, vergeten… een van mijn geliefde jankonderwerpen: dat grote gezin. Ja! Je spòòrt toch zeker niet wanneer je als ouderpaar dertien (!) kinderen neemt, wanneer je je er hooguit één, nou vooruit: heel misschien twee kan veroorloven. Nu heb ik nog niet eens geschreven dat van die dertien kinderen er twee geestelijk gestoord zijn. De een nog erger dan de ander. Kejje nagaan.
Mijn jongste broer is een mongool. 
(Aan dat bekakte Syndroom van Down-gelul doe ik niet mee. Ik heb het alleen over mongolen. Toen mijn broer, Marco, zo heet die mongool, zestig jaar geleden geboren werd, bestond die term 'Syndroom van Down' niet eens. Toen die term mij voor het eerst ter ore kwam, dacht ik, dat dat Syndroom een slopende en dodelijke geslachtsziekte was. Echt waar en nou klaar daarmee!) 
Onze mongool werd nota bene geboren in een periode dat alle tijdschriften, van de Margriet tot de Donald Duck, met schreeuwende koppen publiceerden: 'Opgelet dames! Als je boven de 38 jaar zwanger wordt, is de kans wel hééééééél erg groot dat je een mongooltje baart!!!!' Maar mam leest dat niet, of ze wil het gewoon niet weten, of het kan haar geen reet schelen. Mam maakt het inderdaad helemaal niks uit: ze is 43, houdt van zwanger zijn van alle mogelijke kleine baby’tjes. Terwijl ik net in het tijdschrift ‘Ouders van Nu’ een in alle opzichten ongeloofwaardig artikel lees over pril oudergeluk in combinatie met een meervoudig gehandicapt kind, baart mam haar dertiende en laatste kind. Mijn jongste broer: Tet (met een t nog wel). Op kraamvisite zegt iedereen: "O, wat een leuk ventje"… ja, ja, zeg dat wel… maar ik zie het gelijk. Tet, dat leuke ventje, is dus een mongool. Ja! Dat zie ik in één oogopslag. Mij hoeven ze niks wijs te maken. Ik ben niet gek. Een mongooltje uit het boekje: oogplooitjes, breed neusje, huidplooitje op de handpalm en ga zo maar door. Ik heb het net allemaal zitten lezen in 'Ouders van Nu'. Zo'n Jan Lul was ik toentertijd, twintig jaar en als een ouwe opa zitten neuzelen in de 'Ouders van Nu', in plaats van in de Playboy of Voetbal International.
"Dat heb je d'r nou van, mam," zeg ik, "daar zit je tot je dood aan vast." Als een soort troost vertel ik haar dat mongooltjes nooit zo erg oud worden, vijftig hooguit zestig jaar. Mam reageert nauwelijks verheugd. Ze lijkt wel geïrriteerd door wat ik zeg… "Zo lang ik kan, zorg ik voor Tet," zegt ze berustend, "al word ik honderd… wie dan leeft, wie dan zorgt."
In 1970 zijn er nog geen testen die kunnen aantonen dat er een mongooltje groeit in de buik van de zwangere vrouw. Als die er wel waren geweest, had ie tenminste al in een vroeg stadium afgedreven kunnen worden. Dan hadden we geen Tet gehad.
Ik vraag me af of mam dan besloten zou hebben om Tet te laten afdrijven… nee, ik vraag het me niet af ook… ik weet heel erg zeker dat ze dat nóóóít, nooit van haar leven gedaan zou hebben. En… eerlijk is eerlijk: Tet is een lieverd, een heel kwetsbare lieverd. Hij is gevoelig, lief, vriendelijk en grappig.
Tet mijn idool, allerliefste mongool.

Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com