Pageviews van de afgelopen week

Posts tonen met het label dirigent. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dirigent. Alle posts tonen

zaterdag 22 augustus 2026

MIJN DUIM

Ik heb de laatste tijd last van vooral één stramme duim. Mijn rechterduim. Hij wil niet meer lekker buigen. Vijftien jaar lang hing hij anoniem boven de spatiebalk van mijn toetsenbord, als de geruisloze dirigent van de stilte tussen mijn woorden. U leest deze zin omdat die duim net op tijd naar beneden kwam om ruimte te maken. Maar vandaag weigert hij mee te veren. De stramheid trekt inmiddels door naar mijn wijsvinger en mijn pols. Een zeurende erfenis van een schouderoperatie van elf jaar geleden, zo bedacht ik me. Het lichaam is blijkbaar net een archief; het onthoudt alles.

Als ik naar mijn rechterhand kijk, zie ik de littekens van mijn eigen onhandigheid. Mijn duim heeft nogal wat te verduren gehad in dit leven.
Het begon toen ik een jaar of acht was. Een tennisbal waar mijn vriendje en ik mee speelden, rolde in een rioolput. Ik opende het loodzware deksel en pakte het balletje. Net toen ik mijn hand wilde terugtrekken, trapte mijn vriendje voor de grap het putdeksel hard dicht. Het topje van mijn duim lag er half af, het hing er maar een beetje bij. Er moest flink gehecht worden in het ziekenhuis. Het litteken is na al die jaren nog altijd wit en duidelijk zichtbaar.
Toen ik zestien was, volgde klap nummer twee. Ik rende met hoge snelheid op een glazen flatdeur af. Om de klap op te vangen stak ik mijn handen vooruit, maar ik knalde dwars door het glas. Het was een bloederige boel en de ruit sloeg een flinke homp vlees uit mijn duim. Jan, de vader van een vriend en EHBO’er, heeft me toen geweldig geholpen en provisorisch opgelapt. Het vlees bleek onhechtbaar. Mijn ouders waren naderhand woedend. Niet om het bloed, maar omdat ik niet direct naar hén was gekomen voor hulp. Die ruzie heeft de vriendschap met Jan lange tijd behoorlijk verlamd. Wat ik er aan overhield? Een flinke klomp weefsel op mijn rechterhand. Mijn eigen 'duimbobbel'.
Nu ik deze column typ, voel ik die oude breuklijnen weer samentrekken. Het putdeksel en de glasscherven hebben zich decennialang koest gehouden, maar naarmate ik ouder word, melden ze zich alsnog aan het toetsenbord. Mijn duim tikt de spatiebalk een stuk langzamer aan dan vroeger. Maar ach,  dat geeft wat meer rust tussen de zinnen door.

Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com

vrijdag 26 juli 2024

EEN REISJE LANGS DE RIJN.

Negen jaar geleden toen ik in Prinsenland kwam wonen leerde, ik Hans kennen. Ik werd lid van het koor, waar hij al jaren zong. Ik was toen 65; Hans 76. Muziek en zingen was Hans’ grote passie. Hij had een enorme verzameling cassettebandjes. Met vooral Nederlandstalige muziek.


Ik ging op dat koor … een manier om mensen te leren kennen, in deze voor mij nieuwe wijk. Ik was net gescheiden, had veertig jaar in het Oude Noorden gewoond. De dirigent zette me naast Hans neer. Een prima beslissing.

Toen Hans tachtig werd wilde hij samen met het koor ‘Een reisje langs de Rijn’ zingen. Ik zou voor alle koorleden de tekst daarvan uitprinten. Daar was Hans blij mee. Het werd een succes.

Ten tijde van Corona stopte het koor. Hans en ik hielden contact. Om en om gingen we bij elkaar koffie drinken. Hans draaide bij hem thuis Willy Alberti, Johnny Jordaan, Rita Corita. Ik liet thuis mijn muziek horen: de Stones, Dylan, Simon and Garfunkel. Ik kon aan zijn gezicht zien, dat ie dat niks vond. Hij heeft het nooit gezegd.

Eind vorig jaar was ik hem even kwijt. Ik deed een briefje in zijn brievenbus. Vrij snel kreeg ik een reactie van zijn dochter: haar vader had een beroerte gehad. Hij was tegen zijn ledikant gevallen, met als gevolg een pittige hoofdwond. Maar die beroerte heeft hem lelijker te pakken genomen.

Hij ligt nu in een verpleeghuis.
Elke zaterdag ga ik bij hem op bezoek. Hij gaat snel achteruit. Wordt opgeblazen-dik en gaat slechter lopen. Al een paar maanden herkent hij mij niet als ik bij hem op bezoek kom. Hij is onrustig … zoekt in zijn kamer naar zijn sleutels, die hij, als hij ze gevonden heeft, op een andere plaats neerlegt en dus ook weer kwijt is.

Hans wordt boos als medebewoners zijn kamer in kijken: ‘Doorlopen, er is hier toch niets te stelen’, roept hij dan. Hij werd echt agressief toen een buurvrouw te lang naar hem bleef staan staren: hij vulde een bloemenvaas half met water en gooide dat bij die vrouw in haar gezicht.

Het was Hans’ laatste ‘grote’ daad. Steeds meer werd hij een ‘dood vogeltje’. Op het laatst zong Hans af en toe nog een regeltje uit ‘een reisje langs de Rijn’ en zonk dan weer weg.