Pageviews van de afgelopen week

zaterdag 24 januari 2026

VISSEN.

'Ik wil dat je hulp zoekt, Tony', zegt zijn moeder. 'Je zit hier thuis maar te verpieteren. Een man van jouw leeftijd gaat uit, werkt. Een kennis van me kan een afspraak voor je maken met een psycho-thera peut. Ik wil dat je daar naar toe gaat'. 

Een paar weken later heeft hij zijn eerste gesprek, met een vrouw, ongeveer net zo oud als zijn moeder. Ze vraagt hem om wat over zijn kindertijd in Spangen te vertellen. Tony vertelt haar het een en ander. De dingen die hij meestal vertelt. 

Ze vraagt hem of hij weet wat 'grensoverschrijdend' betekent. 

'Weet ik', antwoordt hij. '

Hij ziet de therapeute elke week een uurtje en dan praten ze over wat er toen, Tony was acht jaar, gebeurd is. Vooral over 'dat' met opa. De vader van zijn moeder. Ze vraagt hem ernaar tot in de details en hij vertelt haar tot in details wat er gebeurd is.

Dat hij als het lekker weer was, een eindje met opa ging wandelen, dat opa hem meenam naar de kermis, naar het circus en hem trakteerde op een suikerspin. Opa maakte grapjes, hij liet Tony  'paardje rijden' op zijn schouders. 

Ook gingen ze wel eens vissen langs de Schie. Hij met een schepnetje, om voorntjes, stekelbaarsjes en , soms, kikkervisjes mee te vangen en opa met een driedelige hengel om grotere vissen mee te  vangen.

Op een dag verraste opa hem. Hij dacht dat ze gewoon weer langs de  Schie zouden gaan vissen. Maar opa had een klein hengeltje voor Tony gekocht. Ze zouden die middag samen gaan vissen in een roeibootje. En Tony vertelt haar tot in de détails wat er gebeurt is.

Dat opa in het bootje achter hem ging zitten. Dat opa met zijn dikke buik herhaaldelijk tegen Tony's rug op botste, toen opa hem leerde vissen met dat kleine hengeltje. 

Opa duwde, zachtjes, ritmisch, waarschijnlijk door die geringe golfslag, tegen zijn ruggetje op. Dan deed opa Tony's broekje los, opende zijn gulp, pakte zijn piemel en kneep er zachtjes en vele malen achtereen in. Hij deed het zomaar alsof zoiets de normaalste zaak van de wereld was. Een paar seconden, misschien een halve minuut, ademde opa heel zwaar. Toen deed hij Tony's broekje weer dicht, aaide hem over zijn hoofd , keek naar zijn eigen hengel en zag dat hij beet had. 

'Een brasem, en nog een grote jongen ook.' hoorde hij opa zeggen. 

Tony voelde aan de onderkant van zijn t-shirtje een kleverige substantie, die hij toen niet één, twee, drie kon thuisbrengen. 

Het was zoiets raars. Hij wist niet precies wat dit voorstelde ... zo verwarrend. We zaten daar ook maar samen in dat bootje. Geen wandelaar, geen fietser te zien. Vreemd genoeg voelde hij zich helemaal niet angstig. Dat het niet pluis was voelde Tony wel. Hoe èrg niet pluis realiseerde hij zich niet.

Wel had hij lange tijd nadat hij uit het roeibootje gestapt was, nog een raar gevoel in zijn piemeltje.

Hij vertelde zijn moeder toen hij thuiskwam over 'opa's hengellesje' in de roeiboot. Zij reageerde woedend en schreeuwde uit: 'Nee, hè! Niet weer!' 

Mijn moeder heeft zijn opa, haar vader dus, sedertdien in de ban gedaan. Ze had volgens Tony beter aangifte kunnen doen!

De therapeute vraagt hem of hij nog vaak denkt aan wat er toen gebeurd is.

'Niet zo heel veel', zegt hij. 'Wanneer het in de media over misbruik van kinderen gaat, dan denkt hij er aan. Wel raar, hij voelt zich dan beschaamd. Terwijl hij juist slachtoffer was ... maar elke keer als dat soort berichten in de media verschijnen, voelt hij zich verdachte ... zó stom.

'Elke keer?' vraagt de therapeute.

'Ja,' zegt hij, 'elke keer'.



vrijdag 23 januari 2026

BEVEILIGING.

Het regent. Ik sta onder  een afdakje waaronder nog een stukje stoep droog blijft. Het is met dit weer meestal iets rustiger in het centrum. De mensen haasten zich door de smalle straat, weggedoken onder paraplu's. Het verkeer wringt zich langs hen heen. In het licht van de de koplampen is een regensluier te zien. 

Later wordt het droog. Na een uur of één 's nachts is er niet meer zo veel aanloop. Dan zijn het vooral mensen, die gáán. Na drieën komt er niemand meer in. Niet dat er om die tijd nog veel mensen komen, zeker niet op een doordeweekse dag als vandaag. Soms zijn er een stuk of wat, zoals die drie, nog keurig in het pak, twee van hun, waren hun stropdas al kwijt geraakt. Ze komen met veel geschreeuw aangelopen, zien het uithangbord en besluiten dat ze naar binnen willen.

'We zijn gesloten,' zeg ik. 

Een van de jongens probeert mij om te kopen. Hij wappert met een briefje van twintig euro.

Ik schud mijn hoofd. De jongeman met het geld blijft aandringen.

'Dat kan ik niet doen', zeg ik.

'Wat kan je niet doen?' zegt de jongeman en hij moet lachen.

'We zijn gesloten,' zeg ik nogmaals

'Dat kan je niet doen! Dat kan hij niet doen' zegt de ene jongeman tegen andere Ze moeten nu alle drie hard lachen. 

Gelukkig hoepelen ze op. Ik kijk ze na en steek een sigaretje op. 

De laatste klanten vertrekken om een uur of half vier. Ik 'help' ze een handje naar buiten. Het ruikt naar zweet binnen en het voelt aan als een sauna na die frisse vochtige lucht op straat. 

De lichten zijn aan, waardoor de club een stuk kleiner lijkt. Het hoofdpodium en de privépodia langszij, ogen klein en armzalig. 

Onderweg naar het kantoortje van Paul, mijn leidinggevende, kom ik een paar van 'onze' meisjes tegen, die op het punt staan om naar huis te gaan, in trainingspak, regenjas, oortjes in en zo'n uitdrukking op hun gezicht van: 'je hoeft niet eens te proberen me aan te kijken' op hun gezicht. Ik kijk weg! 

Paul zit in zijn kantoor. Hij neemt het van me over. Ik heb geen idee waar Paul vandaan komt. Niet uit Engeland in ieder geval. Hij zou een Arabier kunnen zijn of zoiets. Zijn er Arabieren die Paul heten? Het slaat op de een of andere manier nergens op. Paul betaalt me uit. 

'Bedankt', zeg ik. 

'Geen probleem', zegt Paul, met zijn niet thuis te brengen accent. Ik doe de enveloppe in de binnenzak van mijn jack en ga lopend naar huis.

Het is bijna vier uur. Leger dan nu zullen de straten niet worden. Helemáál leeg raken ze natuurlijk nóóit. Her en der blijven plukjes mensen en eenlingen lopen. Ik ga over de Coolsingel, via het Hofplein en het Pompenburg, naar mijn huisje langs de Rotte.


donderdag 22 januari 2026

FRANSE LIEDJES.

In het kluphuis bij mij om de hoek begint een cursus 'Franse liedjes zingen'. Het is op zes donderdagmiddagen en het kost in totaal15 euro. Lijkt me leuk. Ik vind Frans een mooie taal. Spreek het ook goed. Vaak op vakantie geweest. In Avignon. Dan denk ik: misschien kan ik Bernd, Ken, Wela, Emmie en Elsbeth vragen om ook mee te komen zingen. Het zijn min of meer vrienden van me, sowieso leuke mensen om zoiets samen mee te doen.

Ik weet van Emmie, dat ze heel goed is in Frans, het is haar tweede taal, Portugees is haar moedertaal. Als ik haar vraag of ze meegaat doen, houdt ze gelijk al de boot af. Ze is oppas-oma. Op donderdagmiddag komt haar kleinkind. 

Ik hoop ook de mannen Bernd en Henk te kunnen strikken maar Bernd weet zeker dat het niks voor hem is en Henk zingt al genoeg: in een koor en in een coverband. 

Vriendin Wela zegt dat ze geen Frans 'ken' en al helemaal niet ken zingen door haar spraakgebrek met de 'L' die ken ze niet uitspreken aan het eind van een woord.

Elsbeth, tja, ik weet dat ze een beetje Frans begrijpt. Ik ben wel eens naar een Franse lachfilm geweest met haar en haar broer. Ze doet haar deur niet eens voor me open, als ik haar wil vragen, terwijl ik weet dat ze thuis is. Ik weet ook dat ze dépri is, un petit peu. Ik stuur haar later op de dag een appje met de vraag of ze meedoet ...  een paar uur later antwoord ze lieflijk: 'Non!!'. 

Dus zit er voor mij niks anders op dan alleen te gaan. Vind ik niet erg. Ben ik wel gewend. Het groepje blijkt te bestaan uit allemaal 70-plussers; net als ik. Vlak voordat we beginnen komt een bekende van me het leslokaal binnen lopen. 't Is Alida. Ze is verbaasd me hier te zien,  Ze kent me alleen als sporter en leraar Nederlands. 'Kom ook mee zingen Alida!' probeer ik enthousiast. Leuk geprobeerd, maar ze is in dat kluphuis een soort van baas. Dan kan ze hier moeilijk onder werktijd gaan zitten meezingen natuurlijk en ... zo eerlijk is ze dan ook wel weer, ze kent helemaal geen Frans en 'Frans kent mij ook niet,' lacht zij. Dus ... zij gaat gauw weer aan de slag.

We zingen deze middag twee heerlijk chansons:

'La ballade des gens heureux' van Gerard Lenorman.

'Aux Champs Elysées', van Joe Dassin.


Ik ben een fan van Jacques Brel. Dat zeg ik tegen Alain, de cursusleider, in de hoop dat we nog eens een een chanson van Brel gaan zingen. Maar dat zal niet geburen, denk ik, omdat hij vindt dat Brel's teksten nogal somber zijn. Hij wil met dit groepje alleen vrolijke liedjes zingen.

'Johnny Holliday vind ik ook goed', zeg ik. 'Pour moi la vie va commencer', zing ik. Maar Alain is al onderweg naar een andere cursiste, een charmante oude dame.

woensdag 21 januari 2026

1. BURENHULP 2. BETRAAND

1. Burenhulp 

'Dat had je nooit moeten doen, man', zegt Arie. Daar krijgie echt gedonder mee en niet zo'n beetje ook!'

'Zullen we dan wel zien', zei ik.

 

Vroeg in de avond staat buurvrouw Bea (50) opeens bij me op de stoep.:

'Dag buman' zegt ze, met haar eigenaardige bromstem

'Halló Bea!' zeg ik verrast.

Willu me helpen, buman?' ze kijkt me niet aan.

‘Ligt er aan waarmee, 'nee' heb je, 'ja' kan je krijgen,' zeg ik vriendelijk lachend.  

‘Ben op me schouder gevallen. Doet veel pijn. Moet zalf op.’ zegt ze met een zielig gezicht

‘Zoiets doet buurvrouw Willy toch altijd voor je? vraag ik …

‘'Ja Willy, altijd,' bromt ze.

'Dan ga je toch naar haar toe. Twee deuren verderop.' Een lichte tegenzin begint me te bekruipen .....

‘Ze is niet thuis’ huilt ze bijna.

‘Dan probeer je het straks nog een keer',

'Hebbal paar keer gebeld  ... ze is er niet ... heb veel pijn nu. Willu  helpen alstublieft buman.'

'Nou, kom maar binnen dan', zeg ik met frisse tegenzin.

We staan in de woonkamer. Ze geeft me een tube Midelgan.

'Waar moet ik smeren, Bea?' vraag ik.

Zij schuift de mouw van haar t-shirt over haar rechterschouder:  

'Daar ... me schouder,'' zegt ze.

'Zeg maar goed waar ik precies moet smeren, waar de pijn zit'.

Smeer ik op de goede plek? Vraag ik nog eens voor de zekerheid.

‘Ja, goed buman'. In vijf minuten is het klusje geklaard.

Dankewel buman,' klinkt dat eigenaardige stemmetje van haar.

'Altijd eerste even naar Willy gaan, hè! Als zij er niet is kan je mij vragen'.

‘Ja, dankewel buman.

De volgende dag: jawel? Staat Bea weer zielig bij mij op de stoep. Weer zegt ze dat Willy er niet is. Dat klopt ook. Heb ff bij haar aangebeld. 

Ik help Bea nu wel weer als invaller voor Willy. We zijn inmiddels ruim een week verder en tot nu toe is het bij die twee keer gebleven. 

Graag gedaan Bea! 


2. Behuild

Ik zag in de verte dat m'n vriendin Elsbeth me tegemoet kwam lopen. Zij kwam uit de bibliotheek, ik was op weg daar naar toe. Ik heb een mailtje gekregen van de bieb, dat ik het boek dat ik reserveerde kon komen ophalen.

Gewoonlijk hebben Elsbeth en ik vrolijk-getinte adhd-achtige gesprekjes. Op een afstand van 5 á 10 meter zag ik haar betraande gezichtje, licht gezwollen oogleden en haar afgezakte mondhoeken. Van een opgewekte begroeting kon geen sprake zijn. Ik keek haar half aan, en bewoog impulsief mijn rechter wijsvinger naar mijn lippen. Elsbeth zag het en knikte naar me. Zwijgzaam passeerden we elkaar en gingen verder ons weegs.

Later op de dag appte ik haar een ‘mondje dicht-emoji’ en een ‘smile-emoji’ , om haar wat op te beuren.

Dat laatste was, denk ik achteraf, te veel van het goede. Dat heb ik nou altijd. Maar ja, niks meer aan te doen.

 


dinsdag 20 januari 2026

DE POPPENDOKTER.

In de vijftiger jaren van de vorige eeuw woonde ik in Spangen. Zo rond de tien jaar was ik.  Twee speelgoedzaken waren er daar in die tijd: de Poppendokter en ’t Hart.

De Poppendokter zat in de Betje Wolffstraat en ’t Hart op de Schiedamseweg. Die laatste zaak was wat groter, had meer speelgoed in voorraad en was ook wat moderner, overzichtelijker, netter. De Poppendokter was een beetje een rommelzaakje. Die zaak heette de Poppendokter omdat de eigenaar speelgoed repareerde. Dat was zijn specialiteit.
 
Mijn moeder hield niet van die winkel, dus als het enigszins kon ging ze naar ’t Hart. De Poppendokter was een man, met een voor een man iets te hoge stem en bovendien hing er een scherpe pislucht in die winkel, alsof de dokter gewend was om achter de toonbank te plassen.

Mijn oudste zus Manda, had een pop, die gekleed was als non. Die pop was eens beschadigd. Er er zat een gat in haar wang. Diep treurig was Manda. Het was haar lievelingspop.

Tante Ludy, een zus van onze moeder was non. Die pop was precies zo gekleed als zij. Daarom was mijn zus waarschijnlijk zo gehecht aan die pop. Mijn moeder bracht de gekwetste pop op een dag heimelijk naar de poppendokter. Ze wilde Manda verrassen, de kapotte wang laten maken en dan de pop weer kado doen met haar verjaardag.

Toen Manda vroeg waar haar zusterpop was, zei mijn moeder, dat ze haar had weggegooid. Ze was niet toonbaar meer. Tegelijk met dat ze dat zei, knipoogde mijn moeder naar mij. Dat vond ik leuk.

Het is allemaal precies zo gegaan als mijn moeder het had bedacht. Wat was Manda blij. Ze moest er zelfs een beetje van huilen, want ze dacht echt dat ze haar pop kwijt was. 

Mijn moeder en ook Manda vonden dat de poppendokter het wangetje knap hersteld had. Ik vond het foeilelijk. Het wanggat was gestopt zoals mijn moeder een gat in een rode wollen sok zou stoppen. Haar ene wang was nu knalrood en haar andere rose. Voor mij was de poppendokter een klungel. Maar goed, het was mijn pop niet.

Ik vraag me trouwens af of ik, anno nu, nog in de buurt terecht kan om een beschadigd poppenwangetje te laten repareren. 

Wordt waarschijnlijk zoeken op internet.

maandag 19 januari 2026

VERYUPT?

 

Altijd leuk om mss E. tegen te komen op de sportschool. Er was een tijd dat we samen van 9 tot 10 uur 's ochtends sportten en babbelden. Tegenwoordig lopen we elkaar gewoon mis.

Nou ja gewoon? Ik denk wel eens dat mss E. mijn manische geouwehoer spuugzat is en daarom vanachter haar keukengordijn in de gaten houdt wanneer ik naar de gym ga of weer terug kom en dat zij daar dan haar eigen sporttijden op aanpast.

Vanochtend babbelen en fietsen we als vanouds. Niet te hard ... in een comfortabel tempo.

Onze woningen zijn vrijwel identiek. Zij houdt een lofzang op onze appartementen met vandaag volop zon op de grote woonkamerramen. Geen stookkosten deze dag. De gemiddelde temperatuur binnenshuis gaat oplopen tot 20,5 graad. Mss E.is dol op haar huis. 

'Absoluut mss E.', zeg ik, 'een  prachtige woning. Ze zou alleen ergens anders moeten staan'.

’Ergens anders?’vraagt zij.

'Ja, ergens anders,' antwoord ik. 'In het Oude Noorden of Crooswijk'.

'Oude Noorden of Crooswijk?' vraagt zij.

'Ja, in het Oude Noorden of Crooswijk,' antwoord ik. 'Ik ben op en top een centrum man'. 

'Op en top een centrum man?' vraagt zij?

En tamelijk onverwachts, sprint mss E. weg en zegt: 

'Het Oude Noorden is de laatste jaren wel erg veranderd.' 

Dan had ik tegen haar kunnen zeggen:

’Erg veranderd?’ 

Maar zo'n pestkop ben ik nu ook weer niet.

Dus ik haak gelijk in op haar opmerking: 

‘Inderdaad, mss E. tot mijn grote verdriet is het Oude Noorden flink veranderd, de laatste decennia'.

‘De laatste decennia?' vraagt zij gelijk weer.?

'Ja, de laatste decennia, is die wijk half veryupt', zeg ik.

‘Half veryupt?’ vraagt zij. 

'Ja, 50% is tegenwoordig student of hoger opgeleid en de andere helft is arbeider of uitkeringstrekker,' zeg ik.

Dan zegt mss E.: 'Het was toch hoognodig dat daar eens wat gebeurde.'

        'Waarom de sociale structuur van het Oude Noorden overhoop             halen. Waarom betaalbare woningen slopen. Waarom de                     machtige en gezellige smeltkroes van tientallen nationaliteiten,          die daar vanaf 1960 is ontstaan, ruïneren,' is mijn reactie.

         'Ruïneren?' vraagt zij.

         'Ruïneren, ja,' zeg ik. 'Politiek gezien is het blijkbaar simpeler             om een arbeiderswijk van zijn identiteit te ontdoen dan                       Hilgersberg, de Rotterdamse wijk van de rijke pikken,' zeg ik.

         'Rijke pikken?' vraagt zij.

        'JA! MSS. E. RIJKE PIKKEN!!' antwoord ik.

        Mss E. is al met haar gele doekje in de weer om haar fiets                    schoon te poetsen.

        'Tsjonge, jonge,' verzucht zij, met een blik op mij.            

zondag 18 januari 2026

PA.

'Kan je niet eens wat aardiger over je vader schrijven? Het is vaak zo negatief', zo reageren lezers. Okee dan. Daar gaat ie.

Beschuitje.

 Ik zal een jaar of vier geweest zijn toen mijn vader me op zijn schoot nam, zijn ongeschoren gezicht naar mijn gezichtje toe bewoog en met zijn harde baardharen over mijn tere kleuterhuidje schuurde. Hihihihahaha, papa lacht, mama lacht. Leuke actie. Dus lachte ik mee als een boertje met pijn aan zijn wangetjes. 

Twee vingers.

Een paar jaar ouder ben ik inmiddels. Six/Seven. Pa leerde mij toen het simpele krachtspelletje 'twee vingers.' Een spel voor twee spelers. 

Eerst slaat de een zo hard  mogelijk met zijn wijs- en middelvinger op de wijs- en middelvingers van de ander. Dan mag de ander zo slaan. De twee gaan, om beurten,  net zo lang door tot de pijn in de vingertopjes van één van de spelers ondraaglijk is. Die is dan de verliezer.

Ik vond het een heel leuk spel. Mijn vader liet me nooit winnen, dat vond ik ook niet erg. Het was grappig om te zie hoe bloedrood die  vingertopjes er tenslotte uitzagen. Mijn moeder vond het maar niks: 'Je (mijn vader) hebt weer eens last van van 'ptss-jappenkampneigingen', mopperde ze.

Armpie drukken.

Hoe dat gaat is bekend. Veronderstel ik. Deden we ook graag samen (vanaf 10). Hij liet mij vaak winnen

Het badhuis.

De arbeiderswoningen in Spangen waar wij woonden tot mijn 13e hadden geen douche. Er was in de naburige Justus van Effenstraat een badhuis. Met een reusachtige badkuip ruim genoeg voor met z'n drieën, heerlijk warm water, daar lagen we met z'n tweeën te spetteren. Ik was toen negen jaar, pa 28. Daar zag ik hem voor het eerst helemaal bloot. Imposant.

(Kaart)spelletjes.

(Kaart)spelletjes vond mijn vader leuk en als ze niet al te moeilijk waren had ik ze snel door. We speelden dan met het hele gezin, toen me z'n vijven.

Welke spelletjes?:  

Vanaf een jaar of  6/7 kaartspelletjes: Eenendertigen, patiencen, pesten, achten, jokeren.  Helaas was ik niet slim genoeg om de regeltjes voor klaverjassen te onthouden. 

Hij deed graag mee met allerlei spelletjes. Monopoly en Mens erger je niet.

Dammen heeft ie mij geleerd. Vind ik erg leuk om te doen. Ben ik redelijk in. 

Schaken pa deed zijn best maar ik had het analytisch vermogen niet. Hij was daar zelf goed in.

Sparta Voetbal/Sparta  Honkbal

Vanaf mijn achtste jaar mocht elke veertien dagen op zondagmiddag mee naar de voetbalwedstrijd van Sparta. Dat vind ik het fijnste waar hij me kennis mee heeft leren maken: Voetbal. Om zelf te doen en om naar te kijken.

Ook heeft hij mij heel goed de regels van de honkbalsport uitgelegd. Daar kan ik nu ook nog erg van genieten. Als kijksport.


Al de aangename herinneringen aan mijn vader zitten in de periode tot mijn puberteit in de periode Spangen, tot 1963. Vanaf 1963, de periode IJsselmonde, is mijn waardering voor hem groot omdat hij in die periode, voor het grote gezin (op het laatst 10 kinderen) waarin ik ook opgroeide ontzettend hard gewerkt heeft.