'Dat had je nooit moeten doen, man', zegt Arie. Daar krijgie echt gedonder mee en niet zo'n beetje ook!'
'Zullen we dan wel zien', zei ik.
Vroeg in de avond staat buurvrouw Bea (50) opeens bij me op de stoep.:
'Dag buman' zegt ze, met haar eigenaardige bromstem
'Halló Bea!' zeg ik verrast.
Willu me helpen, buman?' ze kijkt me niet aan.
‘Ligt er aan waarmee, 'nee' heb je, 'ja' kan je krijgen,' zeg ik vriendelijk lachend.
‘Ben op me schouder gevallen. Doet veel pijn. Moet zalf op.’ zegt ze met een zielig gezicht
‘Zoiets doet buurvrouw Willy toch altijd voor je? vraag ik …
‘'Ja Willy, altijd,' bromt ze.
'Dan ga je toch naar haar toe. Twee deuren verderop.' Een lichte tegenzin begint me te bekruipen .....
‘Ze is niet thuis’ huilt ze bijna.
‘Dan probeer je het straks nog een keer',
'Hebbal paar keer gebeld ... ze is er niet ... heb veel pijn nu. Willu helpen alstublieft buman.'
'Nou, kom maar binnen dan', zeg ik met frisse tegenzin.
We staan in de woonkamer. Ze geeft me een tube Midelgan.
'Waar moet ik smeren, Bea?' vraag ik.
Zij schuift de mouw van haar t-shirt over haar rechterschouder:
'Daar ... me schouder,'' zegt ze.
'Zeg maar goed waar ik precies moet smeren, waar de pijn zit'.
Smeer ik op de goede plek? Vraag ik nog eens voor de zekerheid.
‘Ja, goed buman'. In vijf minuten is het klusje geklaard.
Dankewel buman,' klinkt dat eigenaardige stemmetje van haar.
'Altijd eerste even naar Willy gaan, hè! Als zij er niet is kan je mij vragen'.
‘Ja, dankewel buman.
De volgende dag: jawel? Staat Bea weer zielig bij mij op de stoep. Weer zegt ze dat Willy er niet is. Dat klopt ook. Heb ff bij haar aangebeld.
Ik help Bea nu wel weer als invaller voor Willy. We zijn inmiddels ruim een week verder en tot nu toe is het bij die twee keer gebleven.
Graag gedaan Bea!
2. Behuild
Ik zag in de verte dat m'n vriendin Elsbeth me tegemoet kwam lopen. Zij kwam uit de bibliotheek, ik was op weg daar naar toe. Ik heb een mailtje gekregen van de bieb, dat ik het boek dat ik reserveerde kon komen ophalen.
Gewoonlijk hebben Elsbeth en ik vrolijk-getinte adhd-achtige
gesprekjes. Op een afstand van 5 á 10 meter zag ik haar betraande gezichtje,
licht gezwollen oogleden en haar afgezakte mondhoeken. Van een opgewekte begroeting
kon geen sprake zijn. Ik keek haar half aan, en bewoog impulsief mijn rechter
wijsvinger naar mijn lippen. Elsbeth zag het en knikte naar me. Zwijgzaam passeerden we elkaar en gingen verder ons weegs.
Later op de dag appte ik haar een ‘mondje dicht-emoji’
en een ‘smile-emoji’ , om haar wat op te beuren.
Dat laatste was, denk ik achteraf, te veel van het goede. Dat heb ik nou altijd. Maar ja, niks meer aan te doen.