Het loopt anders dan ik dacht. Om kwart voor drie sta ik
bij Musa en Hajar voor de deur. Het welkom was daverend. Ik word zowat doodgeknuffeld door het stel. Hij loopt rond in zijn boxershort, die laag hangt op zijn schaambeen. Hajar lacht haar schelle lach terwijl Musa buldert. De tv is al aan. Alleen een groen veld, een vol stadion
zijn te zien. Opgewonden verslaggevers-gelul is te horen.
Als van Hecke echter met gestrekt been ingaat op de Marokkaanse ster Hakimi wordt Musa gillend gek. Vanuit de woonkamer draaft hij zijn tuintje in, luidkeels, scheeuwend ‘Paardenlul, paardenlul’ doelend op de Braziliaanse arbiter, die de bleekscheet van Hecke rood had moeten geven.
Hoe meer de tijd verstrijkt, hoe bozer Musa wordt op het Marokkaanse team. Ze bakken er niets van.
Hajar wordt finaal fijn geknepen èn opgetild door haar man als ene Diop in blessuretijd de gelijkmaker voor Marokko maakt.
Als een uitgelaten en door en door verwend klein kind
staat hij daar verdwaasd te springen en te schreeuwen. Het flesje bier in de hand.
Voor mij valt er helemaal niks te lachen. Zeker niet nadat onze voetbalmiljonairs het strafschoppen nemen grandioos hebben verkloot.
Hajar laat me na de wedstrijd nog een foto van Pejus zien, haar jongste, een imbeciele zoon, op een hobbelpaard. Ik schoot bijna in de lach, want ... nu: is Pejus twee druppels water Musa, alleen met een klein Hitlersnorretje, maar wat maakt dat nou uit?!
Als de winst voor Marokko eenmaal definitief is, zie ik Musa nog maar heel af en toe. Hij ligt plat op zijn rug in zijn tuintje, pilsje in de hand. Vrijwel comateus maakt hij juichbewegingen, roepend: maaaaròc …maaaaaaròc …maaaa...
Nu moet ik, om half zes in de nacht, het wordt nota bene al licht, dat rot eind nog terug fietsen naar Ommoord. Nou ja, ik wilde dit nu eenmaal graag meemaken. Weer eens lekker samen met Musa uit zijn dak gaan.
Halverwege mijn fietstocht naar huis hoor ik een ambulance … heeft Hajar dan toch voor de zekerheid nog 1-1-2 gebeld voor haar man?