‘Ja, daaaaag, het is hier geen hotel!’
woensdag 4 februari 2026
ELF JAAR EERDER (6) GEEN HOTEL
woensdag 21 juni 2023
GEEN HOTEL.
Vanmorgen vraagt mijn vriendin zich af, hoe vaak ze me nog
moet vragen om de koelkast eens te ontdooien en wat te doen aan die verstopte wastafel.
‘Geen idee,’ ik heb werkelijk geen idee wanneer ik daar tijd
voor heb. Ik kan me trouwens ook niet
herinneren dat ze het mij ooit gevraagd heeft. Dat hoeft ook helemaal
niet want het zijn gewoon mijn taken. Ik
ga ze dit jaar heus nog wel een keer doen.
Dan vindt ze het nodig om mij op luide, verontwaardigde
toon, duidelijk te maken dat het hier (daarmee bedoelt ze ons huis) geen ‘hotel’ is.
Alsof ik dat zelf niet weet. Ik zeem in dit huis de ramen en
maak het houtwerk gelijk schoon. Ik kook
drie keer per week, doe alle dagen de vaatwas (zij droogt af), koop op
zaterdagochtend de wat zwaardere boodschappen, ik koop voor zes weken tegelijk kattenbaksteentjes;
maandelijks verschoon en ververs ik de kattenbak, wekelijks breng ik de volle
vuilniszakken en onze papierbak naar het afvalverzamelpunt in de straat; één
keer per maand leeg ik onze glasbak in die van de gemeente, een paar straten
verderop. Verder doe ik de donkere, witte en gekleurde was … hang die op, haal
die af en ruim die op. Dit laatste doe ik samen met mijn vriendin, dat zal zo’n
beetje neer komen op fifty/fifty. Aan al dat soort werkjes zou ik absoluut niet beginnen als ik in een hotel zou
zitten. Zo gek ben ik nou ook weer niet.
‘Overigens’, vraag ik haar nu op mijn beurt, ‘een paar maanden
terug, ben ik twee à drie weken bezig geweest met het schoonmaken en witten van het plafond. Het
zou niet bij me opkomen daar aan te beginnen als ik het idee had in een hotel
te wonen: dan laat je daar iemand voor komen’. Ik ben niet ingehuurd en toch
lekker aan de gang gegaan als lenteschilder. Betalen hoefde je me niet want net als jij wóón ik hier.
Vreemd vond ik wel, dat er geen schouderklopje
af kon voor mijn schilderwerk.
‘Aha, een pluimpje! Dààr was het meneer dus om te doen. Het
ging jou niet om de schilderklus. Het ging er jou om een pluimpje van mij te
krijgen.’
‘Nou ja, ik bedoel, dat ik het nogal vreemd vond, dat jij
niet wilde zien dat ons huis gewit werd. En …. of je daar nou iets goeds of
iets kwaads over gezegd zou hebben, dat zou me nou echt geen reet kunnen
schelen. Het leek haast wel of je bewust negeerde wat ik aan het doen was.’
Moe en dorstig van al dit slap gezeik, ga ik een glas Spa
Rood in schenken.
‘Doe voor mij ook gelijk een Spaatje Rood?’ vraagt mijn vriendin.
‘Ja, daaaaag’, zeg ik, ’het is hier geen hotel!’
donderdag 22 december 2022
EEN NACHTWANDELING
Het is donker, koud en een beetje mistig. Het is half een. Ik wandel door de nacht. Overdag zie je hier al haast geen kip. Dat zal ’s nacht wel niet veel anders zijn. Loop langs de in aanbouw zijnde flat. Die is versierd (beveiligd)als een kerstboom met duizenden kleine lichtjes. Om elke étage is een lichtjeslint gespannen.. Aan de achterkant van de Paladiostraat zijn nog maar weinig lichten aan. De meeste bewoners zijn al naar bed. Ik kom nou bij de Prinsenplas aan. Er hang wat mist boven het water; niet zo heel erg dicht. Als ik dicht bij de kant kom, kwetteren een stel vogels weg, waterhoentjes, denk ik. Ze plonzen in het water en verontwaardigd wegzwemmend blijven ze nog een beetje mopperen.
Linksaf loop ik de voetgangers- en fietsersbrug op. Er komt een fiets aan. Maar ik zie hem niet.
Geen licht aan. Heel dichtbij istie nu,
komt recht op me af … ’Kijk es uit’, roep ik panisch, ’t is een vrouw, zij remt
en valt van haar fiets. Haar petje van haar
hoofd.
’O, sorry, meneer ik had u niet gezien.’
’Neen, ik jou ook niet. Je moet wel je licht aan doen, hé, dan zie je wat’. Zij stinkt uit haar straatje.
Alcohol. Met moeite klautert ze weer op haar zijn fiets.
’Sorry hoor’.
Op het talud links van de brug zit iemand te vissen. Onder
een reuzenparaplu..
‘Heeft u al wat gevangen?’
‘Nee, niks bijzonders, alleen wat klein spul. Heb wel een
paar keer beet gehad maar die vissen hebben geluk gehad.’
‘Blijf u hier nou de hele nacht vissen?’ Neen, nog een
uurtje om een uur of twee ga ik naar huis. Ik ben toch maar alleen, dus …
‘En jij, wat doe jij hier nog zo laat?’
‘Ik maak een ommetje, ik kon niet slapen. Ik ben toch ook
maar alleen dus …
‘Ha, ha, waar je zin in hebt.’
Nou, succes, ik ga weer verder.’
Vanuit het kerkhof klinken zo af en toe flarden
vogelgeluiden. Waarschijnlijk vogels die in hun slaap praten.
Op een bankje aan de Michelangeloweg, vlakbij de vrije
school, zit iemand uit een bierflesje te drinken. Ik loop langs hem heen, klaar
om naar hem te glimlachen.
‘Hé, hé, moet je ook een pilsie?’ Ik schrik ervan dat hij me aanspreekt. Ben er
een beetje van in de war.
‘Heb je nog, dan?’ vraag ik.
‘Ja, anders bied ik
het je toch niet aan! Kom zitten, hier’ en hij tikt met zijn vlakke hand naast
hem op het bankje. Hij geeft me uit zijn
Jumbo-tasje een pijpie Heineken, wipt de kroonkurk van het flesje:
‘Proost, ik ben Frits.’
‘Proost, ik ben Jee.’
‘Kon je nergens terecht vannacht, Frits?’
‘Jawel, Jee, maar ik had behoefte om buiten te zijn Hier voel
ik me vrijer, heb meer ruimte en
vannacht is het ook niet zo koud, dat scheelt. Als het droog is en boven de 5
graden, ben ik het liefst buiten. ’s Ochtends ben ik alleen even binnen bij het
Leger om te eten, te drinken en … te poepen. Dan ga ik er weer gauw vandoor. Ik
ben hier vaak ‘s nachts. Jij bent de eerste die ik een pilsie kan aanbieden …
maar het moet niet gekker worden, hoor, hahaha.’
Ik drink het pilsie op, geef hem vijf euro, (‘onkostenvergoeding’),
dat waardeert hij wel. Zodra ik weg ben
gaat ie languit op zijn bankje.
Over vijf minuten ben ik thuis (blij toe), zonder dat ik op
dat laatste stukje een rat ben tegen gekomen.
zaterdag 24 september 2022
VRIENDSCHAP? EEN ILLUSIE? (2). KOOS & GEERTJE; ARTHUR EN KEES.
‘Vrienden? Die heb ik helemaal niet.’ Ik flap het er zomaar ineens uit. Vroeger wel maar die zijn inmiddels allemaal uit beeld. Uit het oog verloren, verhuisd, innig getrouwd, verontwaardigd of dood. Geen vrienden meer ... en dat op mijn tweeënzeventigste al!
'En Koos en Greetje dan? Of Ahmed, Hans, Peter en Els en
Arthur en Cees niet te vergeten? Koos
stelt mij aan al zijn kennissen voor als ‘mijn
vriend Zef’ ….. en het gekke is dat ik me helemaal geen vriend van hem
voel…. Oké, ik ga wel eens met hem naar
een voetbalwedstrijd kijken ……. maar daarmee is hij nog niet direct een vriend van me. Ja, kort voor zijn dood worden we visvrienden.
Vanaf 1980 is Koos samen met Greetje, een schoolvriendin van
mijn vrouw, Carola. Zij zitten bij elkaar in de klas op de kunstacademie. De dames kennen elkaar al heel lang. Na het stuk lopen van Greetjes huwelijk heeft
mijn vrouw geen contact meer met Koos. Ik nog wel. Dat beschouwt Greetje als
een vorm van verraad. Ze wil alleen met me blijven omgaan als ik breek met
Koos. Ze bekijkt het maar. Carola blijft dus wel gewoon met Greetje omgaan. Na de dood van Koos ben ik óók weer
welkom bij haar ... na 12 jaar … ik
sta niet echt te juichen. Tsja, ook bij ons komt ze dan ook gewoon weer over de
vloer. Ik blijf het lastig vinden. Greetje noemt me dan geregeld ‘mijn vriendje’ … oké
we gaan incidenteel wel eens naar de bios … meer niet
maar om haar nou gelijk een vriendin van me te noemen … dat gaat me wat te
ver. Ik vind het ook niet zo makkelijk om tegen haar te zeggen: ’Ik wil jouw vriendje niet zijn.’
Misschien verwacht ik wel te veel van een vriend en wel zó veel dat bijna niemand ooit goed genoeg is om mijn vriend te worden? En ikzelf dan? Vind ik mezelf ooit wel goed genoeg om iemands vriend
of vriendin te kunnen zijn? Ik denk het niet …. naar Carola ben ik bijvoorbeeld
best scheutig met knuffels, complimentjes of een glimlach. Naar andere vrouwen doe
ik dat niet zo, uit angst flirterig over te komen. Naar mannen laat ik dat
sowieso achterwege … denken ze misschien dat ik homo ben ....
Als kind gaat het vrienden maken makkelijk. Je ziet elkaar
elke dag. Doet allerlei activiteiten met elkaar. Op de lagere school heb ik twee
heel goeie vrienden. Arthur en Ceesie. Ik heb veel plezier met ze gehad. Arthur is een
getalenteerde voetballer. Op het grasveld voor zijn deur doen we altijd
'metsies'. Als Arthur bij jouw team zit, win je gegarandeerd. Ik ben dan de keeper. Bij Cees thuis doen we spelletjes (domino,
eenendertigen, pesten), spelen met lego of de mecanodoos en bij mij voor de
deur honkballen we.
Arthur is in alle sporten goed. Zelfs in turnen, wat Cees en
ik een meisjessport vinden. Arthur trekt zich daar niks van aan en doet ook
onder gym zijn stinkende best voor het allerhoogste cijfer. Cees en ik niet, wij houden ook niet van
ringen en springen over bok of paard of oefeningen op de ladder. Nee, Cees en
ik zijn meer in voor ’apenkooien’ of blokkiesvoetbal.
Ja, Arthur, Cees en ik blijven op de lagere school goeie
vrienden.