Pageviews van de afgelopen week

Posts tonen met het label krachtpatser. Alle posts tonen
Posts tonen met het label krachtpatser. Alle posts tonen

zondag 19 april 2026

TOILETROLLEN

Voor mijn stijve nek loop ik nu al een paar weken bij Robert, een fysiotherapeut. Een vriendelijke jongeman. Een ‘Jerommeke’ look-a-like. Je weet wel, die krachtpatser in de ‘Suske en Wiske’-boeken:. klein van formaat (1.65m), zeer brede schouders en hij wekt bovendien de indruk dat hij halverwege zijn bovenarmen, rollen toiletpapier vastklemt.

 Om 17.00 uur heb ik een afspraak met Robert en om 17.10 uur stapt de cliënte die nog behandeld werd tijdens mijn ongeduldig wachten uit de behandelkamer . De cliënt voor mij blijkt een hoogzwangere dame. Met een hoogrode kleur op haar wangen stapt ze naar buiten. ‘Tot de volgende keer, Jolanda’ zegt Robert niet al te fris. Jolanda lijkt te snikken en loopt, haar pas versnellend naar de uitgang waar een Trevvel taxi op haar wacht. Die taxi stond daar al op haar te wachten toen ik een kwartier geleden aankwam. Hoewel ik al ruim zeven minuten onder behandeling van hem  had moeten staan, liep Robert op zijn dooie akkertje nog even richting zijn vriendin Pen (voluit: Penny), die zijn praktijk schoonmaakt. Die Pen is een leuke meid, lang slank, lang (1.88m)  lang blond haar, paardenstaart, een superkont, waaromheen een super maillot die extreem diep afdaalt in haar bilspleet. Heel jammer alleen dat Pen nauwelijks tietjes heeft èn dat ze bijna twee koppen groter is dan Jero … Robert. Ik weer niet precies wat het is maar ik vind het oprecht zo ontzettend slecht staan, hè, zo’n klein mannetje, met zo’n reusachtige vrouw.

 Druk gebarend maakt Robert aan Pen duidelijk hij het er al bijna heeft op zitten voor vandaag. Hij wijst nog even in mijn richting, zijn laatste cliëntje van de dag. Hij tikt daarbij ook nog een paar keer met zijn wijsvinger op zijn voorhoofd, alsof ik niet helemaal zou sporen. Dat klopt ook wel een beetje. Ik heb  namelijk de laatste keer mijn jas en mijn reserve sleutelbos in zijn praktijkruimte laten liggen. Dat ik de week daarvoor mijn mobiel bij hem was vergeten mee te nemen, moet Robert ook aan Pen vertellen.

 Als Robert hoognodig naar het toilet moet, nemen Pen en ik even de tijd om elkaar wat te troosten. Pen troost mij met mijn beginnende dementie. Ik troost Pen met haar mannetje. ‘Komt goed!’ zeiden we, 'n duet.

 Robert was circa 17.20 uur in zijn behandelkamer. Vandaaruit wenkte hij ons om bij hem te komen. Pen ging niet mee. Zij had geen problemen. Ik wel. Vooral aan mijn nek nog steeds.  Hij had nog 10 minuten voor mij.

 

 Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com


zaterdag 8 oktober 2022

LAF

Twee pestapies uit de smalle, duistere  Brederodestraat in Spangen: de broertjes Sjakie en Ferdinand. Sjakie is twee jaar ouder dan ik. Ik ben 11.Hij is sterk en heeft een argwanende oogopslag.  Eerlijk gezegd heb ik nog nooit last met hem gehad. Ik ben namelijk zo hypocriet om hem altijd zijn zin te geven, omdat ik bang ben om ruzie met hem te krijgen. Wil tie mijn bal, dan krijgt ie mijn bal, wil tie mijn step, dan krijg tie mijn step, wil tie geld van me, dan geef ik hem geld. Daar staat tegenover dat hij me altijd helpt als het nodig is. Ik ben niet zo’n krachtpatser. Zo gaat Peter van der Tol, die al 14 is, er op een dag zo maar ineens op mijn fiets vandoor. Als ik dat zie gebeuren ren ik met veel kabaal achter hem aan. Ik moet mijn fiets terug! Gelukkig is Sjakie dan in de buurt . Die hoeft alleen Peter maar even aan te kijken of hij komt met de staart tussen zijn benen mijn fietsje terugbrengen.

Sjakie  doet eigenlijk nooit zo veel met de anderen jongens in de straat. Hij heeft wel een paar  vriendinnetjes: Rietje, Thea en Dini. Daar speelt hij wèl mee.  Zo af en toe, als zijn moeder aan het werk is, opent  Sjaak zijn huisdeur en wipt hij vlug naar binnen met een van die meisjes. Zijn broertje weet dan dat hij moet opletten of de kust veilig blijft.

Sjaak kijkt meestal de kat uit de boom. Ferdinand, die precies weet hoe sterk zijn broer is, is een ordinair  lefgozertje. Een ondeugende mannetje. Een wat oudere buurvrouw, zwarte Lenie (ze heeft zwart haar) weet daar alles van. Steevast als Ferdinand uit school komt, gaat hij hard op haar deur staan rammen en schreeuwt: ‘Dikke tieten, dikke kont, dikke tieten, dikke kont!’ om vervolgens op zijn dooie akkertje naar zijn eigen huisdeur te lopen, zo’n twintig meter verderop. D ie vrouw wordt dat dagelijkse geziek spuugzat. Ze komt furieus naar buiten stormen … waarschijnlijk weet ze het zelf niet maar ze loopt in haar blootje . Haar billen en borsten zijn inderdaad behoorlijk groot. Spiernaakt gaat ze achter Ferdinand aan …. Maar die is razendsnel …. hij zit op atletiek …  loopt de 100 meter in 14 seconden …  een toptijd. De vrouw heeft geen enkele  kans. Ze geeft het al snel op … en loopt terug naar haar huis. Zo veel als mogelijk bedekt ze haar edele delen   ze moppert en scheldt op dat rotjoch, dat haar steeds weer treitert. Haar buren, van wie sommigen naar buiten zijn gekomen en  enkelen uit raam hangen, lachen besmuikt.  Haar ontgaat alles nu, zo is ze met zichzelf bezig. Ze heeft niet in de gaten dat Ferdinand  bij zijn voordeur staat. Haar deur staat nog open. Ze stapt naar binnen en gooit met smak de deur dicht.

Ik heb medelijden met die vrouw. Ik vind het ook helemaal niet leuk wat Ferdinand doet. Die vrouw is maar alleen … een makkelijk slachtoffer. Ik wou dat ik tegen Ferdinand durfde te zeggen, dat hij daarmee moet ophouden maar dan wordt hij vast boos op mij, haalt hij Skakie erbij en dan ben ìk straks de lul. Laf hoor.

zaterdag 9 juli 2022

SITA, ONZE HOND (5).

Tot mijn afgrijzen zie ik, als ik binnenkom die geniepige rooie kat uit mijn etensbak zitten eten … is ze helemaal gek … zoiets maakt me razend … ik jank, blaf en spurt naar mijn eten … de kat springt met een boogje over me heen en schiet langs Jee de trap op. Er is nog maar een klein beetje eten over in mijn bak. Alles schrok ik, als een uitgehongerde naar binnen. Ik proef het niet eens. Rotkat!

Slaap hier wel goed … op die comfortabele driezitter … goed voor mijn rug … ruikt nog wel een beetje naar die muffe kat  … maar dat is nog maar effe. Heb die rooie niet meer gezien sinds ze aan me eten zat … en dat is haar te geraaien ook.

Ik lig er in alle vroegte nog voor dood bij, als ik opeens een schuiver krijg … van Jee nog wel. Vind me terug op het tapijt. Baasje Jee staat tegen me te foeteren. De stoom komt uit zijn oren, … wat ik er van begrijp is dat ik nooit meer op die bank mag. Hoe kon ik dat nou weten? ‘Allemaal hondenharen … je krabt het leer kapot … hondenstank,’ dat is wat ik van zijn gebral opvang. Daar gaan we alweer, de vriendelijkheid is gesmolten als sneeuw voor de zon.’ Jee kijkt woedend en wijst naar het halletje. Dáár moet ik liggen, bij mij mand … in dat tochtige halletje, vlakbij de etensbak van die ellendige kat.

Ik doe net alsof ik lig te pitten. Jee gaat naar de wc … onder de douche … ik geef geen sjoege … hij pakt mijn riem … normaal blaf, hijg en ren ik,  spring ik tegen hem op, als hij me gaat uitlaten … maar nu effe niet … nu doe ik ijzig … kom nou! ‘Hé, Sita, kom op we gaan.’ Hij laat de riem zachtjes tegen m’n rug vallen.

Ik ren de trappen af; moet dan voor de buitendeur wachten op die slome Jee.  Buiten ga ik gelijk snuffelen. Ruik zo veel mogelijk kleine plasjes. Als ik al zowat een halve kilometer weg ben, roept Jee me terug … ik moet aan de riem … de angsthaas. Voor mij hoeft hij niet bang te zijn, mij overkomt niks. Ik heb een goede engelbewaarder.

Jee moet er maar aan wennen, dat ik hou van doorlopen … en als ik erg moet poepen, plassen of ik ruik een loops vrouwtje, dán ben ik niet te houden … zeker niet door Jee … toch al niet bepaald het type krachtpatser.

‘Rustig, Sita!’, zegt Jee herhaaldelijk; hij trekt dan overdreven hard aan de riem. Hij wurgt me zowat. Ik geloof dat ik me lelijk vergist heb in hem.  Maar oké, ik hou me rustig, … tòtdat ik een loopse teef ruik. Ze loopt aan de overkant en ziet er sappig uit: glad, strak, slank, grote, dikke, natte lippen, helemaal mijn type. Ik ruk me los en sprint naar de overkant. Op het zelfde moment hoor ik een rauwe kreet, achter me … ligt Jee te jammeren. Fietsers en automobilisten kunnen hem ter nauwer nood ontwijken. Een passerende fietser stopt en helpt hem op de been. Daar staat hij dan met z’n kapotte broek en bloedende knieën aan de overkant. Met mijn riem nog om mijn nek, maak ik een vluggertje met een héél gretige loopse boxer.

 

(wordt vervolgd)