Deel 1. De magazijnchef.
Ik las onlangs 'Armoede uitgelegd aan mensen met geld' van Tim ’s Jongers. Het is een boek dat de zogenaamde bovenlaag een spiegel voorhoudt. Politici en beleidsmakers denken namelijk nog altijd dat armoede een keus is. Door je best te doen, kansen te grijpen en door te leren ontkom je er aan. Alsof de overheid een schooldeur openzet en de rest vanzelf gaat. Ze hebben geen flauw idee van de psychologische oorlog die je als arbeiderskind moet voeren om die drempel over te stappen.
Ik weet er
alles van. Ik kom uit een straatarm gezin uit de jaren vijftig. Thuis was er
simpelweg te weinig geld om iedereen genoeg te eten te geven. Mijn vader maakte
tramrails schoon in Rotterdam. Hij was ultra-laaggeletterd. Mijn moeder wilde
dolgraag dat ik doorleerde. Ze hielp me met overhoren, maar ze begreep niets van de stof.
In 1967 zat ik
in de vierde klas van de HBS. Een bekakte leraar Nederlands vroeg aan de klas:
‘Wie zijn vader is hier nou nog arbeider?’ Iedereen moest vertellen wat zijn
vader deed. Uit pure schaamte en overlevingsdrang loog ik dat mijn vader
magazijnchef was bij Hooijmaaier, de beschuitfabriek. De andere jongens zeiden allemaal dat hun vader een goeie baan had. Ik ging elke dag doodsbenauwd naar school, het Montfoort-College, de hbs. Ik had slechte resultaten,
geen vrienden en deed geregeld alsof ik ziek was omdat ik niet durfde, spijbelde soms ook. Toen er een paar
stoere klasgenoten op ziekenbezoek kwamen, zakte ik door de grond van schaamte.
Ik was de oudste van tien kinderen. Het stonk bij ons thuis naar de pies omdat
mijn jongere broertjes en zusjes nog in hun bed piesten. Ik moest er niet aan denken dat dat op
school zou worden rondgebazuind.
Als ik een
vraag kreeg in de klas, werd ik vuurrood en blokkeerde ik volledig. Leraren
pestten me erom. Als ik een spreekbeurt had, spijbelde ik. Een gevoel van minderwaardigheid
is mijn hele werkzame leven (op hbo-niveau) met me meegereisd. Bij elk diploma
dacht ik dat ze het me dat maar cadeau deden. Gewoon, omdat er statistisch gezien weer
eens een arbeiderskind moest slagen.
Dat is precies
wat Tim ’s Jongers bedoelt. Armoede is geen gebrek aan talent, het is een
gebrek aan rust, regie en een veilig fundament. De politiek stuurt tegenwoordig
leefstijlcoaches op armen af om te vertellen dat ze broccoli moeten eten. Maar
een arbeiderskind heeft geen advies nodig. Wat we nodig hebben is echte
bestaanszekerheid en het recht om er te mogen zijn, zonder je te hoeven schamen
voor de baan van je vader.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten