Ik stap met mijn verkeerde been uit bed. Mijn rechterbeen met helemaal onderaan die klapvoet. De surprise van jl. vrijdag. Dàt been kan ik nu toch moeilijk mijn goeie been noemen. Desalniettemin ben ik in opperbeste stemming, deze ochtend, alsof ik gewoon met mijn goeie been uit bed ben gestapt.
Het is woensdag vandaag. De dag na de tweede les van de cursus 'Franse chansons zingen'. We hebben mijn favoriete nummer gezongen: 'Bleu, blanc, blond' van Marcel Amont.
Mijn klapvoet staat amper naast mijn bed of ik begin, wat ik nooit doe, te zingen: 'Bleu, blanc, le ciel de Provence...' dat is de eerste regel van dat chanson. Ik ken het lied niet helemaal uit mijn hoofd. Het meeste loop ik hier thuis, eerlijk gezegd, te neuriën. Ik heb de song nu al een paar keer lopen zingen en neuriën onder het klaarmaken van m'n ontbijt. Tijdens het ontbijt met volle mond zingen is bepaald niet kies… hoewel, ik ben de enige die hier zit te eten. 'Bleu, blanc, blond' met volle mond gaat sowieso niet lukken.
Nu 'Bleu, blanc, blond' uit mijn hoofd wegebt, vestigt zich in mijn bovenkamer de oude hit van Salvatore Adamo. Ook deze hit uit de sixties stemt mij vrolijk. Ik ben nog druk in de weer met het kauwen van het knäckertje sesamzaad, met een plakje belegen 30+ (dat plakje voor mijn cholesterol).
In mijn hoofd hoor ik mezelf het nummer zingen en af en toe neuriën: "Vous permettez, monsieur… enz." Ook dit lied laat ik een paar keer in mijn bovenkamer resoneren. Als ik mijn eten op heb ga ik van tafel, zing met Adamo: "...juste avant le mariage..." Ik zit er snel lekker in, doe een dansje… en dan struikel ik over het kleedje in de keuken, maak een rot-smak en breek mijn linkerduim. Mijn klapvoet, helemaal vergeten in de euforie.
Op 13 juli 1957 was ik heel vroeg wakker en… jarig! Ik werd zeven en was heel benieuwd naar mijn cadeau. Zou ik het cadeau krijgen dat bovenaan mijn verjaardaglijstje stond? Van de zenuwen ging ik hard 'In een groen knollenland' op mijn bed zitten zingen en het hielp: mijn grootste wens ging in vervulling: een hamster. Hammie noemde ik haar. Heel blij was ik. We gingen gelijk samen op mijn kamertje spelen. We deden 'circusje'. Dat weet ik nog goed. Toen deed ik midden in mijn kamertje die koprol-truc. Daar heb ik Hammie geplet en ik had haar nog maar net…
"Tsja, lieve jongen," zei mijn moeder zaliger, "vogeltjes die vroeg zingen, zijn later voor de poes."
Sinds die fatale koprol uit het verre verleden, heb ik nooit meer vroeg gezongen, tot deze morgen.