Pageviews van de afgelopen week

Posts tonen met het label grimas. Alle posts tonen
Posts tonen met het label grimas. Alle posts tonen

donderdag 4 juni 2026

RUST ZACHT MANNEN.

Deze middag was ik voor het eerst sinds een half jaar weer eens op Tuinderslust mijn  volkstuin. Trots ben ik  als ik op het mededelingenbord lees ik dat mijn tuin in het jaar 2011 de derde prijs heeft gewonnen. Toch mooi derde op een totaal van 350 tuinen.

Verder hangen er in de vitrine nog twee overlijdensadvertenties: een van Frits (60 jaar) en een van Bram (75 jaar). Verbaast me niks. Ze hebben het langer uitgehouden dan ik dacht. De een kon  nog nauwelijks op zijn poten staan. Als ik hem zag lopen, schoten de tranen me in mijn ogen. Mijn eigen heupgewricht raakte ervan ontzet.
‘Van mij mag het voor Bram snel afgelopen zijn,’ zei ik wel eens tegen mezelf.  Voor Bram zelf lag dat niet zo blijkbaar. Hoewel hij zich zeer moeizaam voortbewoog, behield hij een zekere blijmoedigheid. Er straalde, toen ik hem voor het laatst ontmoette, inderdaad plezier, vrolijkheid uit zijn ogen. Drie weken later lag ie wel mooi dood in de wachtkamer van de podotherapeut! Op zijn borst lag een Panorama open bij een interview met André van Duin.
Op Brams gezicht een lachende grimas.   
Frits, de andere overledene hoorde je al op honderd meter, zwaar hijgend, piepend, zuchtend en steunend aankomen  in zijn scootmobiel, die opgeleukt was met de zuurstoffles waarvandaan een slangetje naar zijn neus vertrok. Zijn kleinkinderen hadden nog hele families knuffelberen en – apen naast hem in zijn vervoermiddel gestopt. Longkanker of niet, Frits kon je uittekenen met een zware van de weduwe tussen zijn bruin uitgeslagen lippen geklemd.
‘Hoe is het ermee Frits?’ vroeg ik hem, de laatste keer dat ik hem zag. Hij wilde me antwoorden maar ik hoorde alleen een benauwd gehijg, er volgde een angstwekkende hoestbui en toen zwaaide met zijn hand zo van:
’Laat maar zitten, man.’ Twee weken later, Frits had net in de Primera-shop tien pakjes zware van Nelle, 20 pakjes Mascotte en twee aanstekers gekocht,  zakte hij langzaam onderuit in zijn scootmobiel. De geschrokken Primera winkelier belde 1-1-2 nog wel maar hulp mocht niet meer baten.

Bram, Freek, rust zacht mannen.


(Uit mijn rijke Rotterdamse verleden)

Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com

maandag 18 juli 2022

SITA, ONZE HOND (14)

 

We stappen in de auto … nou ja auto … van binnen is het gelukkig niet meer zo warm. Jee is zo slim geweest om terwijl wij wat eten en drinken, de deuren wijd open te zetten. Op naar Rotterdam. Uurtje rijden. Uurtje pitten. Heb ik wel nodig. Ben versleten.

Jee en Carola vinden op een gegeven moment dat er kinderen moeten komen … mensenkinderen bedoel ik. Mij is niets gevraagd. Twee nemen ze d'r maar liefst. Twee mannetjes; eerst Aadje en twee jaar later Keessie.

Zij janken en krijsen, poepen en piesen waar ze staan, vechten elkaar de tent uit en wat ik het allerergste vind: zij trekken mij aan mijn oren omver. Ze zijn tòch al zo gevoelig, die arme oren van mij! Dat ik verga van de pijn hebben die gassies niet in de gaten. Een enkele keer, als ze het echt te bont maken, geef ik ze een waarschuwinkje. Zo’n zacht knauwtje, zonder kracht te zetten met mijn tanden. Gelukkig schrikken ze daar al genoeg van om op te houden met sjorren aan mijn oren.

We gaan met vakantie. Met z’n allen. Niet dat ik daar iets vanaf wist, hoor. Mij overvallen ze altijd met dat soort dingen. Ja, gezien de spullen die ze aan het inpakken zijn, had ik natuurlijk kunnen weten dat we op vakantie gaan. ‘Rockanje’ die naam hoor ik steeds noemen. Rockanje mijn Spanje. Voor vakantie is het wel heel dichtbij. Om de hoek, als het ware. Nog geen uurtje rijden.

Het is niet te geloven maar ’t is echt waar: ik heb me blij gemaakt met een dooie mus. Ik mag niet eens met ze mee die camping op: ’verboden voor honden’ staat er. Jee heeft er wel wat op gevonden. Hij dumpt me bij een boerderij. Jee houdt me constant aan de lijn. Hij geeft mijn riem (en mij dus ook) aan een onooglijk, klein kaal mannetje in een blauwe overall. De boer. Maar in de stal, waar die boer me heen trekt, zie ik geen koeien, kippen of  varkens.  Wel allemaal poezen en honden. Opgesloten in veel te kleine kooitjes.

De boer propt mij ook in zo’n hokje. Ik blaf en jank zo hard ik kan … en die rotboer maar lachen. Door mijn gejank gaan die andere dieren (vooral de honden) ook flink tekeer.

‘Nou dag, hoor Sita, tot vanmiddag, dan komt Carola of ik langs om een eindje met je te wandelen, ’ zegt Jee.

Goh, zit er dan toch nog een beetje vakantie voor mij in?

Mijn familie is nog maar net de hoek om of die boer, die net nog zo om mijn gejank stond te lachen, vertrekt zijn gezicht in een boosaardige grimas: ‘Kappen nou met dat gejank!’ en hij geeft me met zijn knokkels een beuk vol op mijn knar. Ik kan nog net even mijn tandjes in de hand zetten van die schijnheil. Wapperend met zijn hand van de pijn loopt hij de stal uit. Kijk, dat vind ik nou weer leuk.

 

(wordt vervolgd)