Je mag blij wezen Teun, dat
ik al die jaren bij je ben gebleven, uit medelijden, ja en omdat ik je de hand
boven het hoofd heb willen houden, maar
dat is nú afgelopen……..’ zei Laura, zijn echtgenote, onder de afwas tegen hem.
Toen werd het even zwart voor zijn ogen en gaf hij haar een flinke mep. Haar
linkerwang liep behoorlijk rood aan, er sijpelde wat bloed uit haar mondhoek
maar na een half uurtje was er niks meer van te zien. Laura gilde alsof er een moordaanslag op haar
gepleegd was:
‘OEAAAAAAAAAAAAAAAAA’
oorverdovend hard klonk haar langgerekte kreet. Niet eerder had Teun iemand zo’n
mep verkocht. Ook zijn zonen, Ben van twaalf en Jerry van acht, had hij nog
nooit hoeven slaan. Zoiets zit gewoon niet in Teun. Het was waarschijnlijk van schrik dat Laura zo gilde.
Des te vreemder is het, dat
hij nu, een paar weken na de ‘mep’, een aangetekend schrijven ontvangt van een
advocatenkantoor. Laura heeft echtscheiding aangevraagd, omdat hij een gevaar
is voor zijn eigen kinderen en nu ook voor haar. Ze durft hun zonen niet meer bij hem alleen
te laten 'na een lange reeks van mishandelingen'.
‘Nu mankeren ze even niks’,
aldus het schrijven. ‘Alle kwetsuren van de kinderen zijn inmiddels geheeld.
Behandelende artsen werden voorgelogen over de oorzaak van de verwondingen.
Botbreuken en andere verwondingen waren dus he-le-maal niet het gevolg van
ongelukjes op de wintersport, het uitglijden in het zwembad, baldadigheden onder elkaar thuis, noem maar op. Neen! Alle kwetsuren en
verwondingen zijn toegebracht door hun vader….uit frustratie ….in blinde
woede.’
'Zohooo, dus ik ben hier in
huis dus de grote kindermishandelaar?!' Grimlacht Teun. Laura vertelt nu plots
een heel bijzondere en andere waarheid. Dè waarheid? Háár waarheid! Aan háár
advocaat: al die nu nog traceerbare botbreukjes zouden het gevolg zijn van
Teuns sadistische neigingen’!
Volgens Laura zitten die
neigingen in zijn genen. Geërfd van zijn vader. ‘Kampneigingen’ noemde zijn
moeder ze, als zijn pa Teun weer eens in een vlaag van verstandsverbijstering
een stomp in zijn maag had verkocht of hem een bloedneus of een blauw oog had
geslagen. Van zijn negende tot zijn veertiende jaar zat zijn pa in
Nederlands-Indië in een jappenkamp. En die Jappen waren niet mis, hoor! Hadden
geen enkel mededogen met kinderen. Ze hadden zijn vader wel eens een hele
middag lang in de brandende zon, met één
arm aan een boomtak laten bungelen, omdat hij een eitje gepikt had uit de
kippenren van het Japanse leger…..tot aan zijn dood heeft hij last gehad van
die arm.