Pageviews van de afgelopen week

Posts tonen met het label kromgroeien. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kromgroeien. Alle posts tonen

zondag 8 februari 2026

ELF JAAR EERDER (10) ARTSEN.

Ik ben patiënt bij een huisartsenechtpaar. Die man is iets prettiger. Geweldig is hij niet … hij kan er mee door. Hij neemt redelijk de tijd voor je, is vriendelijk. Het is me alleen een paar keer overkomen dat hij vrij grof gaat zitten vloeken! Ik vraag me wel eens af of hij  Gilles de la Tourette heeft.

Mijn pink groeit krom. De dokter had me foto’s laten maken in het ziekenhuis en ik moest hem bellen voor wat er op die foto’s te zien was. Dat deed ik en de doktersassistente zei dat het wel mee viel en dat ik het maar even moest aanzien. Nou, ik heb het een halfjaar aangezien tot later het topje van mijn pink zich in mijn handpalm boorde. Die vinger kon toen haast niet mee krommer. Dat verhaal vertelde ik de dokter en toen wendde hij zich gepikeerd van me af en zei: ’aan zien, aan zien, u laat uw pink, godverdomme, toch niet zó alle jezus kromgroeien, dan moet u  gewoon eerder bij mij aankloppen.’

‘Ja,’ zei ik, ‘ dan moet u tegen me zeggen, hoe lang ik het  moet aanzien, want toen die foto’s gemaakt werden, stond die vinger al behoorlijk krom. Weet u wat ik denk dokter, dat u die foto’s destijds niet eens gezien heeft en dat uw incapabele assistente de foto’s even vlug vlug bekeken heeft, toen ik belde. Toen heeft zij mij op eigen houtje geadviseerd om het maar even aan te zien. Want ú, dokter had daar geen tijd voor. Wanneer ik het nog langer aan had gezien was ik mijn pink misschien wel kwijt geraakt.’
Het was duidelijk te zien, dat de dokter niet blij was met mijn woorden. Er verscheen een zenuwtrekje van de linkerkant van zijn neusvleugel naar zijn linkermondhoek en tegelijkertijd knipperde hij onregelmatig met zijn linkeroog.

‘Ik geef toe dat ik hier wat duidelijker over had kunnen zijn. Godverdegodverdomme!'
Ik zal u nu meteen verwijzen naar het ziekenhuis om uw vinger recht te laten zetten.’
En binnen drie weken stond ie weer recht.

De ega van die mannelijke dokter is dus ook arts. Met een schijnbaar vriendelijke toverfeeënglimlach haalt ze haar patiënt op uit de wachtkamer. De dokter draait zich om en loopt naar haar spreekkamer. De glimlach heeft dan plaats gemaakt voor een asgrauwe sombere blik. Pas als ze de patiënt aankijkt tovert ze de glimlach weer op haar gezicht. Het straalt er bij haar van alle kanten af: 'Wat een vreselijke baan heb ik toch! Maar: ik blijf lachen.

Toen ik nog maar pas bij dat huisartsenkoppel was, ben ik een paar keer bewust naar die vrouw gegaan. Nou heb ik meestal nooit iets bijzonders maar die ene keer wel; ze is toen bij mij vreselijk door de mand gevallen.  Ik had last van aambeien. Dat vertelde ik haar. Goed, ik geef toe: het is niet het leukste klusje voor een arts maar ik mag toch wel verwachten van een professionele kracht, dat ze daar mee om weet te gaan. Ik heb het woord ‘aambeien’ nog niet uitgesproken of ik zie haar een lichte neiging tot kotsen onderdrukken en tegelijkertijd hoor ik haar zeggen: ‘Ontkleed alleen uw onderlichaam en gaat daar maar op de behandeltafel liggen. Ik kom er zo aan.’
Jammer dat ik haar gezicht niet kon zien, toen ze mijn billen uit elkaar moest duwen om mijn aambeien te inspecteren met haar zaklantaarn in haar mond.
‘Kleedt u zich maar weer aan.’ ‘Het is niets om u ongerust over te maken, meneer. Ik zal u een tube Sperti voorschrijven; dagelijks na de stoelgang dun smeren. Tot ziens, meneer. Als u last blijft houden, zie ik u graag terug,’ loog ze.

    

woensdag 26 juli 2023

ARTSEN

 Ik ben patiënt bij een huisartsenechtpaar. De man vind ik prettiger dan de vrouw. Echt groots is hij niet …  maar neemt de tijd voor je, is vriendelijk. Een paar keer maak ik mee dat hij zich niet kan beheersen. Zo maar ineens zit hij te vloeken! Ik vraag me wel eens af of hij Gilles de la Tourette heeft.

Mijn pink groeit krom. De dokter laat me foto’s maken en ik moet de uitslag doorbellen. De doktersassistente vindt dat het meevallen: ‘kijk het maar even aan’. Nou, ik kijk het even aan, tot die pink niet krommer meer kan.  Dat vertel ik de dokter. Dan staat hij gepikeerd op en zegt:  ’aankijken, even aankijken, u laat uw vinger, godverdomme, toch niet zo ‘alle jezus’ kromgroeien? Dan moet u  gewoon eerder bij me langskomen!’

‘Ja,’ zeg ik toen, wat geschrokken,‘ maar zeg dan hoe làng ik het moet aankijken, want als die foto’s gemaakt worden, is die pink al zo krom als een klein banaantje. Ik weet wel hoe het gegaan is, dokter. U heeft die foto’s destijds niet eens gezien. Als ik uw assistente erover bel, werpt ze een terloopse blik op die foto’s. Op eigen houtje adviseert ze me om het maar ‘even aan te kijken’. ‘Als ik het nog langer blijf aankijken , moet ik heel lang zoeken naar mijn pink.’

Het is duidelijk merkbaar: de dokter ‘not amused’. Een zenuwtje  trilt van zijn linker neusvleugel naar zijn linker mondhoek en tegelijkertijd knippert hij onregelmatig met zijn rechteroog.

‘Ik geef toe dat ik hier ‘kanker’ wat duidelijker over had kunnen zijn. God alle Jezus!! Ik zal u nu meteen verwijzen naar ‘tering!’ het ziekenhuis om uw pink recht te laten zetten.’

En binnen drie weken staat ie weer kaarsrecht.

De echtgenote ook arts. Met een schijnbaar vriendelijke toverfeeënglimlach haalt ze de patiënt op in de wachtkamer. Ze draait zich. Loopt naar haar spreekkamer. De glimlach heeft plaats gemaakt voor een asgrauwe blik. Pas als ze de patiënt van achter haar bureau weer aankijkt tovert ze de valse glimlach op haar gezicht. Het straalt er bij haar zo duidelijk  vanaf: wat een afschuwelijke baan heb ik! Maar: ik blijf lachen.

Als ik nog maar net bij dat huisartsenkoppel ben, neem ik haar meestal. Nooit heb ik iets bijzonders behalve die ene keer. Ze valt door de mand. Ik heb aambeien. Ik geef toe: geen appetijtelijk klusje voor een arts maar ik mag van een professional toch verwachten, dat ze dat aan kan. Ik heb het woord ‘aambeien’ nog niet uitgesproken of ik zie haar kokhalzen terwijl ze kortaf zegt: ‘Uw onderlichaam ontkleden en op de behandeltafel gaanliggen. Ik ben zo bij u.’

Jammer dat ik haar gezicht niet kon zien, toen ze mijn billen uit elkaar moest houden om mijn aambeien te inspecteren met haar zaklantaarntje in haar mond.

‘Kleedt u zich maar weer aan.’ ‘Het is niet verontrustend. Ik schrijf een zalfje voor. Na elke stoelgang dun smeren. Tot ziens. Als u last blijft houden, zie ik u terug.’

 

Terwijl ze dat zegt, kotst ze haar eikenhouten bureau onder. Enkele spettertjes belanden op mijn gezicht en mijn T-shirt.