Lieve lezer,
stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:
stukkiejee.blogspot.com
Lieve lezer,
stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:
stukkiejee.blogspot.com
De aanblik van die verongelukte autobus in België, vanavond op het nieuws, op z’n zijkantje gezwieperd door een aanstormende sneltrein. Er wordt gezegd dat die chauffeur de gesloten hefboom heeft geramd. Er is natuurlijk geen chauffeur die zoiets opzettelijk doet. Wat er dan wel was moeten ze nog uitzoeken. Ik weet niet eens of die buschauffeur het overleefd heeft. Veel zwaargewonden en vier doden waarvan twee kinderen. Van 12 en 15 jaar. Toen ik dat hoorde, dat van die kinderen liepen de koude rillingen over m’n rug. Gek, hè. Van die overleden volwassenen is het ook vreselijk. Ze hebben misschien een vrouw en wat kinderen. Dat is toch ook zwaar dramatisch. Maar zoals ik bij het vernemen van de dood van die kinderen van 12 en 15 jaar oud, koude rillingen kreeg, over mijn rug, liet het bericht van het overlijden van die twee volwassenen mij ijskoud.
Ik zal het maar eerlijk zeggen: tegenwoordig voel ik vrijwel nooit meer rouw, medeleven of verdriet bij ernstige ongelukken. Noem het gewenning.
Neem nou dat ongeluk
op station Amsterdam Bijlmer. Een ouwe man wurmt zich met z’n scootmobiel op het
perron, zo ver mogelijk over de witte stopstreep.
Zodat hij straks lekker als eerste naar binnen kan rijden.
Er moeten toch mensen op
het perron geweest zijn, die die ouwe stumperd
hebben zien stuntelen.
Hij moet zich hebben verbaasd over de enorme rotvaart waarmee zijn trein kwam aan denderen.
Door de gigantische zuigkracht van die trein wordt de scootmobiel gelanceerd en
de opa, wordt gekatapulteerd uit zijn karretje en valt te pletter op het Bijlmerperron. Reanimeren heeft geen zin meer.
Dan nog even dit: wat hebben die lui van het NOS-journaal bezield om dit futiele voorval tot vervelens toe aan de kijker te presenteren. Het zou me niet verbazen als de NOS met dit item internationaal wil scoren in de categorie: ‘ongeluk van het jaar’.
Ik schaam me er voor. Ik heb enorm moeten lachen om dat nieuws-item. Later op de avond en ook de volgende dag nog krijg ik de slappe lach. De gelanceerde scootmobiel, die vliegende ouwe stakker en de doodsmak die hij maakte. Ik heb er in mijn hoofd een grappig stripje van gemaakt … sorry, ik schiet nu weer in de lach. Zo hilarisch!
Lieve lezer,
stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:
stukkiejee.blogspot.com
Veertien ben ik en ik zit op mijn kleine ijskoude kamertje algebra te doen. Niet echt makkelijk met de drukte van vier piepjonge broertjes in de woonkamer vlak onder me. Als het weer rotherrie is beneden, doe ik het licht in mijn kamer uit.
Door het spleetje tussen mijn slaapkamergordijnen kijk ik
precies in de huiskamer van de familie No-soe. De No-soetjes, Indonesische
mensen, zijn het regiem van Soekarno ontvlucht.
Meneer No-soe ligt onderuitgezakt in zijn luie stoel. Van de
vijf kinderen No-soe, liggen er al in vier in bed. De oudste, kleine Johnny,
zit in zijn rolstoel nog onrustig te stuiptrekken met zijn polio-beentjes
en het stompje dat zijn rechterarm moet voorstellen. Johnny en z’n moeder gaan altijd
samen als laatsten naar boven. Hij in de traplift.
Ze zit nog in haar baby-doll op de bank. Zij is een mooie tamelijk
jonge vrouw. Nu denk ik dat ze toen drieëndertig was. Het is haar niet aan te
zien dat ze al vijf kinderen gebaard heeft. Mevrouw No-soe lacht altijd lief
naar me als ik haar in de bus of bij de slager tegenkom. Ik ben natuurlijk zelf
ook altijd aardig tegen háár. We praten nooit. Ook gaan we niet naast elkaar
zitten in de bus.
Ik weet haar voornaam niet eens. Mevrouw No-soe is een
kleine, tengere vrouw. Nooit zie ik haar in haar blootje. Ze heeft vrij kleine
borsten en ook niet zo grote billen, dat zie ik wel. Maar
dat maakt mij niks uit. Ik vind haar aantrekkelijk … èn héél aardig. Wat
zit ze nu te doen? Te puzzelen? Te macrameeën? Ik kan het niet goed zien door dat
spleetje. Ik voel lekkere kriebels in mijn lijf.
Plotseling is er gestommel op de trap. Als een kat spring
ik van achter de gordijnen mijn bed in. Het is ma. Ze gooit mijn slaapkamerdeur
open: ‘Waarom heb je geen licht aan?’
‘Ik werd gek van dat lawaai beneden. Zó kan ik echt niet
leren? Ik ben maar even op bed gaan liggen.’
Inmiddels was mijn
plasser niet meer zo hard, zodat ik nu best op mijn rug kon gaan leggen.
‘Tjsja, ik vind het rot voor je. Ik zal zeggen dat ze beneden wat rustiger moeten doen.
Wat drinken?
‘Thee.’
‘Wat erbij?’
‘Zijn er nog bastognekoeken?’
Beste lezer,
Ook in 2025 duik ik
weer onder in het IFFR.
Op 12 februari is het
eerstvolgende stukje
weer te lezen. Tot
dan.
Boven alles straalt het gezicht van Hans ongeduld uit. Ik kan het me wel een beetje voorstellen, want Cora, mijn vriendin zit nu al bijna tien minuten te peinzen en te piekeren. Ze heeft een woord, waarmee ze al haar letters kwijt kan en waarmee ze vijftig punten extra kan verdienen. Alleen kan ze dat woord nog nergens kwijt op het scrabblebord.
Ik weet dat ze langdurig kan jeremiëren in dat soort
situaties. We hebben er ooit wel eens over gedacht om een maximale denktijd in
te stellen. Zeg: vijf minuten. Heb je, na het verstrijken van die tijd nog geen
woord neergelegd, dan krijg je tien punten in mindering. Daar is het
uiteindelijk nooit van gekomen.
Uit pure frustratie gooit mijn vriend Hans nog maar eens een
flinke hand borrelnootjes achter in
zijn keel. Zijn vriendin Cobie streelt hem over zijn extreem behaarde
onderarm om hem wat te kalmeren. Zij weet precies hoe hij is; voor je er erg in
hebt ligt het op de plavuizen, dat scrabblebord en de lettertjes.
‘Zeg Jee, heb je misschien nog een jonge borrel voor Hans?’
‘Off course,’ zegt Jee, om interessant te doen en schenkt
Hans een ijskoude Henkes in.
Cora, die minieme stukjes van een pindapepsel zit te af te
knabbelen, roept plots verrukt: ’Yeah!’
Ze legt horizontaal, met drie maal de woordwaarde, het woord
‘beheers’ neer, waarvan de letter ‘b’ aansluit op het verticale ‘loot’.
‘Godverdomme!’ ‘Klote,’ ‘kut’, luid gevloek aan de
speeltafel.
Dat ene woordje levert Cora ‘drie maal de woordwaarde’ op:
negen en zeventig punten. Heel even kijkt ze triomfantelijk in het rond, pakt
zeven nieuwe letters en neemt een slokje van haar appelsapje. Sinds de overgang
drinkt ze geen alcohol meer. Jee des te meer; maar dit terzijde.
Terwijl Cora bezig was haar mooie woord te bedenken, hebben
de anderen ruimschoots de tijd gehad, om de letters op hun plankje te
ordenen. Hans had net nog de meeste
punten. Nu moet hij Cora voor zich dulden. Ze staat acht punten op hem voor.
Hij wrijft met duim en wijsvinger over zijn kin, zucht eens diep, neemt een
slokje van zijn borrel en legt de letter ‘e’ neer voor de ‘b’ van het verticaal
gelegde woord ‘beschaafd’.
‘Eb,’ zegt Hans, ‘tsja, één schamel puntje, maar straks ga
ik ‘vloed’ neerleggen dat scoort beter, ’grapt hij.
Het spelletje kakt een beetje in. Reden voor Jee om een
cd’je van Jack Johnson op te zetten: ‘Bruisende muziek! Ik zweer het!’
In ‘no-time’ staan de twee voormalige flower – power koppels
ouderwets te swingen … er wordt gelachen en gezongen. Ze dansen zoals vroeger,
in de sixties, met grootse armbewegingen, alleen niet meer zo losjes in de
heupen. Met z’n vieren springen en swingen ze. Ze zijn niet langer koppeltjes. Op
de vrolijke surf-sound gaan ze uit hun dak. Ze dansen steeds intiemer. Hun oude
bezwete lijven smelten haast samen. Het is een opwindend doch beschaafd,
erotisch tafereel … totdat Jee hem op een gegeven moment niet meer in zijn broek kan houden.