We waren meer dan drie jaar uit elkaar. Ik (68) zie haar ineens lopen op de markt. Min of meer strompelend achter zo'n rollator.
Ik ga naar haar toe. Ze keurt mandarijnen bij een groentekraampje.
Ik zeg: 'Hallo Roos (67), hoe is het? Ze hoort haar naam of ze herkent mijn stem. Hoe dan ook, heel langzaam keert ze haar hoofd naar mij, kijkt, zegt niets en gaat dan door met de mandarijnen.
'Hoe gaat het met je, Roos? herhaal ik, 'hoe gaat het ... of wil je niet met me praten?'
'Neen,' zegt ze, zonder me een blik waardig te keuren, 'liever niet.' En ze zegt tegen de markkoopman dat ze tien van die mandarijnen wil.
Zo af en toe speelt Roos nog wel door mijn hoofd. Het woeste onstuimige begin: ze leende me wat geld om een pilsje te kopen in de pauze van de koorrepetitie. Het ging snel. Diezelfde avond drinken we wat bij mij thuis. Zij een wijntje, rood, ik een pilsie (koud). Ik maak wat hapjes klaar in de keuken, kom ik terug in de kamer, ligt Roos poedelnaakt op mijn canapé. Haar ouwe lijf rozig van begeerte. Ze wenkt me: 'Kom ...., kom ..., kom ...'
Ik ging. We hadden drie fijne jaren. Voor mij heerlijk na vele jaren niks.
Het treurige einde van die relatie: Roos was zo geil als boter (excusez les mots), heerlijk voor mij natuurlijk, maar opeens moest ik haar delen met de fysio. Ze wilde mij er toen als relatie al liever niet meer bij hebben. Ik was te jaloers naar haar zin. Als vriend mocht ik nog wèl een beetje meedoen: één dagdeel per maand. Daar paste ik voor. We bleven bij elkaar weg zonder afscheid te nemen.
De avond na dat weerzien op de markt belt Roos.
'Sorry, dat ik zo kortaf was, vanmiddag.'
'Kortaf?'
'Ja, kortaf. Ik wilde gewoon dat je er niet was. In die gemene stukjes van je heb je me zo vreselijk beledigd ....'
Ik fileer haar in mijn stukjes. Dat ze een ziekelijke leugenaar is. Ik noem haar een oud, lelijk vrouwtje met een bochel. Ze is onbetrouwbaar. Simuleert depressies en migraineaanvallen. En ik maar masseren en met coldpacs achter haar aanhollen.
'Je was zo gemeen,' zegt Roos. 'Maar in de loop van de middag herinner ik me weer hoe lief en zorgzaam je ook kon zijn. Dat je me zware klussen uit handen nam. De wandelingen, de spelletjesmiddagen en ... hoe léúk je ook over me schreef'.
'Je zag me vanmorgen, met dat karretje, zo gaat het nu dus met mij', zegt Roos.
We spraken nog wel af. Dronken thee en namen afscheid van elkaar. Voor altijd.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten