maandag 17 januari 2022

EEN MIETJE

 Ze vindt hem een mietje; heeft liever niet dat haar zoon Léon met hem omgaat.   Léon en Ton zijn onafscheidelijke vrienden, pubers nog. Behalve als Léon een vriendinnetje heeft dan komt hij op de tweede plaats. Ton gaat dan maar met zijn broertjes voetballen; eens wat meer aan zijn huiswerk doen; zijn moeder helpen … boodschappen doen, huishouden. Vriendinnetjes heeft hij nog niet gehad ... hij zou wel willen maar het lukt gewoon niet … hij is heel verlegen … in zijn bed in zijn fantasie gaat het beter …

Hij maakt op een zomerse dag, kennis met Léon zijn moeder. Ze is het  type ‘lekker wijf’. Hij is een beetje bang van haar ... tegelijk windt ze hem ook op. Ze praat en lacht heel hard. Aan hem vraagt ze of hij ook thee wil en een knappertje?  Beleefd zegt hij: ‘Ja, graag mevrouw.’  

Léon z’n moeder is een kettingroker … sjekkies. Zonder te vragen rolt Leon een sjekkie uit het pakje shag van zijn moeder. Onverwachts   geeft ze hem een pets op zijn vingers. Het vloeitje en het plukkie shag vallen op de grond..  ‘Voortaan eerst even vragen hè, Léon! Nee hoor, geintje,’ lacht ze, al hoestend en proestend. ‘ Draai maar lekker een sjekkie, hoor knul!’  Ook als ze thee inschenkt heeft ze een sjekkie in haar mondhoek … er zit lippenstift aan d’r peukie. Ze heeft een lage, zwoele stem.   ‘Jij mag er ook wel een draaien, Ton.’  Ahhach, ze weet heus wel dat hij niet rookt … die schat … hij doet niet wat zijn mama hem verbiedt. ‘Neen, mevrouw ik mag nog niet roken van mijn ouders, ze vinden me nog te jong.’

Ze is niet zo groot, Léon zijn moeder. Ze heeft blond haar; grijze uitlopers.  Ze heeft haar  gezicht zwaar opgemaakt. Haar ogen ook. Een kort  zomers bloemetjesjurkje heeft ze aan.  Een deel van haar borsten puilt uit die jurk. Ton ziet haar sappige benen … een beetje uit elkaar geschoven ...hij wìl er eigenlijk helemaal niet naar kijken … maar toch ziet hij het. Onwillekeurig beweegt er wat in zijn broek. Hij hoopt maar dat Léon z’n moeder niks in de gaten heeft.

Na de thee wil hij gelijk naar Léons kamer. Léon heeft een pick-up en goeie muziek van de Rolling Stones, Them en Bob Dylan.  Hun favoriet is nu de Belg Ferre Grignard (Ring, Ring, I ‘ve got to sing). Als ze allebei vijftien zijn gaan ze naar een concert van hem in Antwerpen. In jongerencentrum de Muze. Boven, in de slaapkamer zitten ze op het bed van Léon:  luisteren, swingen, genieten.

Léon zijn moeder  vindt het maar niks: haar Léon en Ton samen op dat bed. Ton wil altijd zo gauw mogelijk naar boven naar Léons kamer. Alsof hij niet lekker zit in de woonkamer. Hij is haar type niet. Ze vindt hem ook geen vriend voor haar zoon. Ton is zo gedwee, zo stilletjes, zo klef, helemaal geen vent … en …ze heeft Ton ook nog nooit met een meisje gezien. 

zondag 16 januari 2022

MET GESLOTEN OGEN

 Mijn collega Hasim is nu al  weer vier weken ziek thuis. Iets met zijn longen. Hij zal wel verrast zijn als ik dadelijk ineens voor zijn neus sta.

   “Station Marconiplein” wordt omgeroepen. Hier moet ik er uit. Als  het geluid van de metro is verstomd klinken alleen nog mijn voetstappen op het kille perron. Via de roltrap kom ik in de hal waar langs de glazen wanden enkele sjofel geklede Afrikanen dicht bij elkaar staan. Ze kijken even mijn kant op maar vervolgen al weer snel hun gesprek Het Marconiplein is een wirwar van busbanen, tramrails en -leidingen,  fietspaden, autowegen en een enkel zebrapad. De vele stoplichten knipperen op oranje. Alleen de stank van uitlaatgassen herinnert nog aan de avondspits.

   Ik doe het bovenste knoopje van mijn jack dicht en trek mijn muts wat verder over mijn oren. Aan de overkant, bij die drie kantoortorens begint de Havenstraat.

   “Helemaal uitlopen en dan naar rechts,” heeft Hasim gezegd.

   Als ik langs de kolossale betonnen bedrijfspanden loop, die de donkere, uitzonderlijk brede Havenstraat markeren, hoor ik het angstaanjagend, aanzwellend geluid van sirenes. Met hoge snelheid passeren twee ambulances, een brandweerwagen en een ladderwagen.

   “Ga je mee, schat,” vraagt  een ondervoed en veel te schaars gekleed heroïnehoertje me op de  hoek met de Keileweg. Ze duikt opeens op achter de oplegger van een geparkeerde vrachtwagen. Verschrikt glimlach ik en schud mijn hoofd.

   Verderop in een donker, beschut hoekje van het  bouwvallige bedrijfspand van de ‘Coöperatie’, ligt iemand, in elkaar gedoken, onder een paar kartonnen dozen, luidkeels te snurken.

   Achter de ‘Coöperatie’ verrijst de grauwe flat waar Hasim moet wonen. Daar staan de ambulance en brandweerwagens van zoëven. Op een balkon, vier hoog, schuift een brandweerman, een brancard op de uitgeschoven ladder. Traag beweegt die in de richting van de ziekenwagen. Ik blijf even staan en kijk ernaar. Op de brancard, aan de zuurstof,  ligt, met gesloten ogen, mijn collega Hasim.

zaterdag 15 januari 2022

ONGEWENST

 Margreet en ik zijn in de onverwachte kou van deze lentenacht, bibberend op weg naar huis. We zijn de tijd vergeten op dat leuke feestje. Het is een heel eind lopen. De laatste bus hebben we gemist.  Zonder jas koelen we in onze bezwete kleren snel af. We houden elkaar stevig vast. In de buurt van het Centraal Station komt ons een stel tegemoet dat het spiegelbeeld kan zijn van Margreet en ik: hij gekleed in spijkerbroek en T-shirt; zij in een lange bloemetjesjurk. Hij met lang, donker krulhaar. Zij met lang, steil, blond haar met bloemetjes erin. Zij bibberen net zo van de kou als wij.                                                                                                                                                                                                                  Het stel vraagt ons de weg naar de jeugdherberg. Het maakt Margreet en mij niets uit dat het Duitsers zijn. Margreet en ik wisselen razendsnel een blik van verstandhouding: “de jeugdherberg is hier wel erg ver vandaan en ons huis hier heel dichtbij, dan kunnen ze toch net zo goed….”:   “Weet je wat, komen jullie maar ‘bei uns zu Hause schlafen.”

We hebben ruimte genoeg en zijn tenslotte zelf op onze liftvakanties in het buitenland ook vaak aan een slaapplek  geholpen. Het stel is dolblij. Wij ook, omdat we eens een keer iets terug kunnen doen.

   We drinken thuis, om warm te worden, een paar glazen wijn. Ze komen uit Frankfurt en zijn op weg naar Amsterdam. De vrouw is zwanger. Er is nog niets van te zien. Ze zijn allerminst gelukkig met die zwangerschap; ze zijn op weg naar een abortuskliniek in Amsterdam. Aborteren moet in die tijd nog in de illegaliteit gebeuren en is peperduur.

   We zijn door de wijn opgewarmd en slaperig gemaakt. Tegen onze gasten zeggen we dat we er om acht uur de volgende morgen uit moeten. Ze kunnen het ontbijt vinden in de keuken en verder moeten ze maar zien hoe laat ze willen vertrekken.

   Ze hebben ons huis keurig achtergelaten, is onze eerste indruk als wij ’s avonds uit ons werk komen. De  afwas gedaan, het bed netjes afgehaald; de dekens en lakens opgevouwen. Eigenlijk vinden we dat niet meer dan normaal.

   Ik wil later op de avond Pink Floyd opzetten maar ik zoek tevergeefs naar de elpee Ummagumma.

   “Aan wie heb jij Ummagumma uitgeleend?” vraag ik aan Margreet. 

   “Aan niemand.”

   “Verdomme, ‘A saucerfull of secrets’ is er ook al niet,”

Het dringt langzamerhand tot me door dat alles van  Pink Floyd en nog een aantal van onze favoriete elpees weg zijn. We kunnen aan het einde van de week de balans opmaken: behalve een flink aantal waardevolle spullen, hebben ze ook nog een kleine duizend gulden cash-geld gejat. We hebben in onze naïviteit gastvrij onderdak verleend aan een koppel Schweinhunde.

Het minst erge vind ik achteraf eigenlijk dat ze die ongewenste vrucht van mijn poen hebben laten afdrijven.

vrijdag 14 januari 2022

LEKKE BAND

En paar keer per jaar en  uitgerekend op de meest ongelegen momenten krijg ik een lekke band ... geniepig sissend of met een luide knal, Het komt best wel eens voor dat ik er geen enkel bezwaar tegen heb. Als ik bijvoorbeeld lekker in het zonnetje op weg ben naar een oersaaie afspraak. Maar uitgerekend dan blijven mijn banden juist altijd  heel.

De lekke band komt namelijk uitsluitend op de meest onmogelijke momenten: op weg naar een gezellig feestje, een etentje met een vriendin, opening van de expositie van m’n vrouw, balletuitvoering van m’n dochter, kampioenswedstrijd van m’n zoon. Heel jammer maar helaas. Tot op heden heb ik nog nooit een lekke band gehad als ik bandenplakspullen bij me had. Als mijn band leegloopt, liggen de bandenwippers, solutie en dergelijke steevast thuis. 

Een oud-collega van me heeft zich op haar vijftigste nog laten omscholen tot fietsenmaker. Van haar krijg ik de tip om één keer per jaar beide binnen- en buitenbanden te vernieuwen. Dat zou lekke banden schelen. Ik volg haar raad op maar binnen twee weken penetreert een grote roestige spijker de net aangeschafte en nu al weer lekke banden. Banden maken blijkbaar zélf wel uit wanneer ze klappen.

Ik ben de wanhoop nabij. Het stortregent. Op de fiets met die lekke banden moet ik naar de fysio. Nog vijf kilometer lopen, zonder regenpak, dat natuurlijk ook thuis ligt Ik voel me klote. Zeker als passerende en tegemoetkomende fietsers pesterig een lange neus naar me lijken te trekken. 

Onlangs gebeurt er iets positiefs. Ik sta weer eens lek. Een hulpvaardige dame stapt van haar fiets. ‘Kan ik u misschien helpen, ik heb plakspullen bij me.’ Zij is zelf eens zo geholpen, zegt ze en sindsdien helpt ze anderen ook zo af en toe. Haar zoon van acht wil mijn band oppompen. Dat gaat nogal wat tijd kosten. Maar om hem dat nou te weigeren is ook zo lullig. Wel uitzonderlijk, een lekke band, een belangrijke afspraak in het ziekenhuis en toch nog op tijd komen. Zij het op het nippertje!.

 

Die lekke band komt natuurlijk helemaal vanzelf. Alleen laat ik mijn plannen er niet meer door dwarsbomen. Ik heb voortaan, net als die aardige mevrouw, altijd plakspullen bij me, voor mezelf en zo af en toe ook eens voor een ander.

donderdag 13 januari 2022

HAAN

Haan komt me helpen met de riolering van mijn tuinhuisje. Hij is een ouwe kennis. Dertig jaar eerder, begin jaren zeventig van de vorige eeuw, waren wij collega’s op een vormingscentrum.  Haan komt daar later werken en gaat er ook weer eerder met ontslag. Het lukt hem niet zo. Dat werk. Mij trouwens ook niet. Het is klote werk. Met werkende meiden en knullen, pubers nog, die een rothekel hebben aan school.   Vier dagen in de week mogen ze werken, één dag in de week moeten ze naar school. Naar dat vormingscentrum. Daar krijgen ze maatschappijleer, sport, handenarbeid en dramatische vorming. Ik geef drama. Dramatisch! Het lukt van geen kanten. Die pubers zijn daar totaal niet in geïnteresseerd. Ze vinden het zonde van hun tijd. Gaan liever werken. Ze lachen me uit met mijn spelopdrachten, die veel te veel fantasie vragen. Weigeren in actie te komen. Negeren mij. Gaan gezellig met elkaar zitten babbelen en  sigaretjes roken, want dat mocht in die tijd nog. Ik weet er geen raad mee. Snap ook wel dat ’drama’ ver van hun bed is. Zelfs met simpele rollenspelen hoef ik niet bij ze aan te komen, Stennis maak ik niet. Op den duur ga ik zelf maar mee zitten kletsen en roken. Dan blijft het rustig in mijn lokaal, dat altijd weer blauw ziet van de rook. Mijn collega’s hebben zo gelukkig geen last van mijn groep.

 Van Haan hebben mijn collega’s wel last. Haan geeft maatschappijleer. De groep zit in een kring aan tafeltjes. Ook voor de les van Haan is geen enkele interesse. Maar Haan is een doordouwer. Alsmaar sjekkies draaiend geeft hij les. Of zijn leerlingen nu wel of niet bij de les zijn. Hij praat en rookt gewoon de vijftig minuten lang vol op de automatische piloot.

 Haan is een echte zeikerd. Niet alleen voor zijn groepen; ook voor zijn collega’s. Een verbale zeikerd. Hij blijft gaan. Er komt geen einde aan. Zelf heeft hij dat zelf niet in de gaten. Collega’s worden gestoord van. zijn eindeloze gelul. Haan kan er slecht tegen dat collega’s hem bekritiseren  … hij gaat wat anders zoeken.

 Haan gaat leren voor vakman in de bouw. Hij heeft technisch inzicht, zegt hij zelf. Leert voor loodgieter. En zo kan ik hem goed gebruiken. Voor werk aan mijn tuinhuisje. Haan legt het riool en de waterleiding aan. Dat kan hij goed, althans dat zegt hij.

 Ik koop de nodige spullen in. Op 8 december, de dag dat we zouden gaan beginnen is het helaas te koud. Drie graden onder nul en het sneeuwt. Dus gaat het niet door. We houden contact; Eens gaan we het doen. Ja, als het kwik weer boven nul is. Haan houdt wel contact, blijft kletsen.  maar werken: ho maar. Dan huur ik daar maar een ZZP’er voor in. Als ik op Haan moet wachten. Het weer knapt wat op en voor de kerst is de klus klaar... 

 Kort na de feestdagen spreek ik hem nog. Haan heeft geen leuke kerst gehad. Hij is vrijgezel. Heeft alleen gezeten met de kerst. Een bakje uiensoep met een sliertje vlees is zijn kerstmenu. Het is zijn eigen schuld dat hij het niet naar zijn zin heeft gehad, vindt hij zelf. Het is zijn eigen keuze. Voelt zich niet zo lekker. Begin januari zie ik zijn overlijdensadvertentie in de krant staan. 

woensdag 12 januari 2022

WAT IS ER LOOS?

 Zo’n gele ambulance staat dubbel geparkeerd voor de deur, zie ik uit mijn keukenraam.  Zou het toch weer mis zijn met Gonnie? De laatste twee keer dat er een ambulance voorstaat, is er iets mis met haar: hartritmestoringen. Ze gaat gelijk, hup, op de brancard, naar het ziekenhuis. Tegen de nieuwsgierigen in de hal van de flat roept ze vanaf de brancard nog dat er met haar niks aan de hand is.  En inderdaad binnen anderhalf uur is ze al  weer terug; met een taxi. Ik denk nu weer gelijk aan Gonnie maar er wonen in deze flat nog meer mensen die voor een ambulance in aanmerking komen. In totaal wonen er hier zo’n driehonderd, waarvan veel zeventig plussers. De laatste paar weken zijn er al vier heen gegaan.

Ik ben wat aan het rommelen in de keuken. Afwassen, ontbijt klaarmaken, koffie zetten, medicijnen klaar zetten. Zo af en toe werp ik een blik uit het keukenraam of ik beweging zie rondom die ambulance … geen mensen te zien.

Wel zie ik Alberto aankomen. Met hem doe ik deze ochtend Samenspraak. Een uurtje samen Nederlands praten. Alberto is een Costaricaan. Normaal zien we elkaar in het buurthuis. Daar kunnen we nu niet terecht door de lockdown. Daarom komt hij bij mij thuis.

Met veel lawaai hoor ik nóg een ambulance aankomen; pal achter die eerste komt die tot stilstand. Twee ziekenbroeders halen gehaast spullen uit hun auto, wat precies, kan ik van vier hoog niet zo goed zien … het lijken wel zuurstofflessen. Ze lopen vrij snel naar binnen.  Wat zou er aan de hand zijn? Ik vind het een beetje stom om nu hard naar beneden te rennen en die ziekenbroeders te vragen voor wie ze komen.  

Het is een fraaie zonnige dag. Wat was de zonsopkomst deze morgen geweldig! Een prachtig mooie rode gloed met smalle langgerekte wolken.  O jee, dacht ik nog wel: ochtendrood water in de sloot. Maar dat valt mee; het is, nu ik dit schrijf al bijna vijf uur en er is nog geen druppel gevallen.

Van het mooie weer geniet ik. Ik ga met de metro naar Binnenhof en wandel van daar weer terug naar huis.  Die twee ambulances staan nog steeds voor de deur.  En ik weet niet wat er nu loos is. Er is ook geen buur te bekennen om wat aan te vragen.

De metro op station Prinsenland staat op het punt de deuren te sluiten; voor vertrek. Dan komt een groepje scholieren hysterisch lachend, gillend, schreeuwend aangerend. Allemaal donkere jongens. Het stel wil nog met deze metro mee.  Een van de groep blokkeert de deur. Tevergeefs probeert de conducteur enkele malen de deur te sluiten. Alle deuren moeten dicht zijn voordat de metro kan vertrekken. De groep rent nu niet meer.  In alle rust stappen de jongelui vrolijk in. Met een paar minuten oponthoud kan de metro verder. ‘Stelletje klootzakken! Zo mol je wel die metro, aso’s,’ denk ik maar ik ben te laf om het hardop te zeggen.

Als ik na de wandeling, weer bij mijn huis kom zijn de twee ambulances verdwenen. Maar daarvoor in de plaats staat nu een politieauto. Dat voorspelt niet veel goeds … een misdrijf? … een zelfmoord?...iemand alleen, dood gevonden in huis? … een burenruzie met gewonden?  Misschien hoor ik er vanavond of morgen meer over.

 

dinsdag 11 januari 2022

THEATER IN DE TREIN

 

In juli 2000 ben ik in Avignon (Frankrijk) voor het theaterfestival. Deze zaterdagochtend ga ik een bakje koffie drinken met een croissantje erbij op het Place d’Horloge. Gelijk wat foto’s ophalen. Op het rolletje zitten nog kiekjes van Rotterdam; de rest heb ik hier genomen. Leuk om straks te laten zien aan Claude en Antoine, bij wie ik een kamer huur.

Dadelijk  zwemmen. Eerst even de waanzinnig drukke Rue de la République door slingeren. Vandaag valt er echt niet normaal te fietsen. Terwijl ik afstap van mijn fietsje valt mijn oog op een overduidelijke rooie Hollandse kop. Een kop die ik zelfs ken. Jazeker het is de kop van Anton. Anton Ernst. Ik roep: ‘Hey Anton’ en ja hoor, we omhelzen elkaar en slaan met de handen op elkaars rug. Het is vijftien jaar geleden dat we elkaar voor het laatst zagen, we werkten toen samen  in de Schiedamse Stadsvernieuwing.  Anton heeft inmiddels twee dochters bij zijn  veel oudere vriendin, zeker vijftien jaar ouder; leuke mensen, allebei. Ze hadden alleen nooit met elkaar moeten trouwen,  het leeftijdsverschil is echt veel te groot. Anton en ik zijn Spartafans…spontaan gaan we samen midden op dat plein daar het Spartalied zingen: ‘Zullen wij laten ho-oren: SP AR TA’. Zijn dochters zijn 12 en 14; zien  er leuk uit….zijn ook aardig en slim…. leuke meiden.

De familie is op zoek naar een familievoorstelling: ‘om te lachen en toch leuk’ in Avignon….of ik wat weet. Daar hoef ik niet lang over na te denken: een muzikaal-komische act ‘à l’heure ou on s’embrasse’. Een van de grappige liedjes uit die mini-musical heeft als titel ‘Het is geweldig om acteur te zijn!’. In het bijbehorende dansje houden de acteurs zich niet in. Ze genieten volop van de nabijheid  van de zeer fraaie danseresjes en schromen niet hun borsten, billen, dijen te strelen. Heel hilarisch. Anton en familie gaan nu kaartjes halen voor die voorstelling. We hebben elkaar zoveel te vertellen dat we morgenochtend afspreken op een van de terrasje van het Place d’Horloge.

Nog niet eerder was het zwembadwater zo koud ... mijn piemel is niet groter dan een piepklein pinkje ...zó koud ... en dat terwijl de zon  hier vrijwel elke dag hoog aan de hemel staat en de gemiddelde dagtemperatuur vierentwintig graden is. Toch maar gezwommen….. en ook wat liggen lezen in een boekje over de historie van het theaterfestival. Buikspieroefeningen gedaan, die worden een beetje te slap naar mijn zin.

Met Rachel, mijn goed gevormde huisgenote, vanavond naar de Transfer Expres. Een zeer moderne theateract ... licht en geluid. Het hele station van Avignon is elke avond tijdens het festival al uiterlijk omgetoverd in een snoeppaleis door de lichtprojecties. De licht- en geluidact, waarvoor van een moderne Franse trein gebruik wordt gemaakt, begint al bij de kaartverkoop ... de pikant geklede conductrices ... kort rokje, jarretels, laag uitgesneden truitjes, strakke jasjes, zij knippen onze kaarten kort voor het vertrek ... iedere beweging van deze dames wordt vanaf een hoogwerker gespot door felle schijnwerpers.

Als de trein nog maar kort onderweg is klinken al angstige geluiden van een overval op de trein: geweerschoten, autoritair geschreeuw en angstig gegil.

Rachel naast me kijkt ook beetje bangig ... ze drukt zich tegen me aan: ’ik weet dat het nep is en toch vind ik het eng,’ zegt ze. Heftig schokken wordt gevoeld ... vonken vuur schieten uit de rails, paniekerige remklanken, alsof de trein ontspoort. Die illusie wordt gewekt.

Met behulp van fel licht kan de fictieve schade worden vastgesteld; het valt reuze mee ... de trein kan door. Zonder al te grote schade wordt na een reis van een uur station Avignon weer bereikt.

Na afloop ‘t is al nacht … ijsje eten met Rachel op deze zwoele avond. Ze gaat er steeds blijer uitzien, als ze ijs eet, lacht en praat… ze ontdooit ... vreemd genoeg heeft zij dat met ijs ... anderen hebben dat weer met wijn … een lekkere, zachte, geruisloze wip tot slot van deze dag, op de zolder van Claude en Antoine.

 

Eerder gepubliceerd in januari 2001