Pageviews van de afgelopen week

woensdag 3 februari 2016

SPREID,SLUIT

Tijdens een ommetje in de buurt, sta ik even stil om te kijken naar de bouw van het nieuwe  zwembad. 1 april is de opening … geen grap. Uit het oude zwembad ernaast, dat nog steeds in gebruik is, hoor ik het strenge geluid van de badjuf: ‘Spreid, sluit, spreid, sluit’.

Ik moet gelijk denken aan mijn veel te dikke badjuf, die destijds op de rand van het bassin stond, in haar veel te krappe badpak. Ze trok haar rechterbeen op en strekte het uit naar rechts terwijl ze het commando ‘spreid’ gaf. Dan volgde het commando ‘sluit’ en ze zette haar rechtervoet weer naast haar linker.
Ze had een lief gezichtje, de badjuf: als ze lachte had ze een  kuiltje in haar linkerwang.. Maar als ze lesgaf had ze meer iets van een blaffende pitbull. Met nog twintig andere kinderen kreeg ik wekelijks les. Normaal zouden mijn ouders dat niet kunnen betalen. Deze zwemcursus was gratis. Een kadootje van de baas van mijn vader. Die werkte bij Thomsons Havenbedrijf en dat bedrijf  betaalde de lessen. Ik was toen zeven jaar, broodmager, spierwit en mijn lippen waren in het zwembad altijd blauw. Het zwemwater was toen veel kouder.
Enigszins angstig keek ik vanuit de diepte van het ondiepe deel van het bad naar de kollossale badjuf op de rand van het bassin. Ze stond vlak boven me. Ik stond in de voorste rij.
‘Spreid, sluit, spreid, sluit’ galmde het weer. Deze keer stak ze ook haar rechterarm omhoog en klapte tegelijk met haar rechterbeen  ook haar arm weer naar beneden, tegen haar dijbeen aan. 
Wij moesten haar allemaal nadoen. Allemaal tegelijk. Ze bleef niet steeds ‘spreid’’ en ‘sluit’ zeggen. Op den duur stopte ze daar mee en ging, in plaats daarvan, op een fluitje blazen. Wij wisten precies wat we moesten doen. Eerst net als de juf de bewegingen staande in het water uitvoeren. Na een tijdje moesten we in het water gaan drijven. We kregen allemaal zwembandjes om de bovenarmen, een zwemgordel om ons middel en een zwemplankje.
De juf had een smalle baan van het bassin helemaal voor ons gereserveerd door een rood-wit ballenkoord over de hele lengte van het bad te spannen. Daar zwoegden we dan met onze armbandjes, gordeltjes en zwemplankjes allemaal achterelkaar. Alleen de beenslag werd geoefend. De juf  bleef op de rand van het zwembad lopen toeteren (op een echte toeter): in het begin nog: ’spreid, sluit’ enzovoorts. Later ging ze weer lopen fluiten (op een echt fluitje).
Als we de baan helemaal hadden uitgezwommen moesten we via het trappetje het water uit en weer ‘rustig’ naar het begin van de baan lopen. Daar begon het hele circus weer van voor af aan.

Na de les mochten we nog een paar minuten spelen. Springen. Onder water zwemmen. Een zwembroek naar beneden trekken. Tussen gespreide benen door zwemmen. Met ballen gooien. Iemand aan zijn benen trekken waardoor die omviel. Dolle pret!
En dan  was de zwemmen weer voorbij. Bijna dan. Want de zwempret was pas echt compleet met de wekelijkse roze ‘zwem’koek. Smullen was dat!


Het snerpend gefluit van de badjuf, in dat oude zwembad hier, waar ik sta te kijken, rukt me uit die die zwemles van weleer. Ik heb nu eigenlijk ook wel trek in een lekkere koek, neen, geen roze, die vind ik niet zo lekker meer. Nu ben ik meer van de kokosmakronen. Daarvan liggen er thuis nog een paar.

maandag 1 februari 2016

SNOEPTROMMELTJE

Ik loop de trap op van de Rodariflat, waar ik woon en speel een beetje nerveus met de huissleutels in mijn jaszak. Zo even was ik wezen zingen en het werd daar even spannend.
Zingen duurt bij ons anderhalf uur: een half uurtje zingen, een half uurtje pauze en weer een half uurtje zingen. Ik zit in de pauze bij de zusjes Gerda en Leonie aan het tafeltje. Van alle koorleden voel ik me met hen het meest verwant: leuke meiden en net als ik zo tussen de 65 en de 70.
Ik ben aan de koffie. Zij zijn aan de cola. Vorige week was Leonie er niet. Gerda zei toen dat ze moest oppassen. Aan mij en een aantal andere koorleden, die bij ons aan tafel zaten had Gerda uitgebreid verslag gedaan van de miserabele gezondheidstoestand van haar hoogbejaarde moeder, na een aantal bijna niet te stelpen neusbloedingen en andere ongemakken.
Als er deze avond  aan ons tafeltje even een stilte valt, denk ik: laat ik eens attent wezen en Leonie en Gerda vragen hoe het nu eigenlijk met hun moeder gaat, na al die neusbloedingen en zo ?’
Gerda schrikt duidelijk van die vraag en gaat zenuwachtig op haar stoel zitten wippen  … ze kijkt me niet meer aan en pakt haar snoeptrommeltje, dat ze altijd naar het koor meeneemt. Ze opent het trommeltje en zegt :’Ik heb er vanmiddag heerlijke karameltoffees en salmiak ballen bij gedaan.’ Ze gaat gelijk lopen uitdelen aan de andere tafeltjes, ondertussen honderduit kwebbelend. Leonie zit met haar colaatje nog naast me maar ze mijdt mijn blik.
‘Heb ik wat verkeerds gezegd?’ vraag ik aan Leonie. Maar eigenlijk weet ik het antwoord natuurlijk wel. Leonie reageert niet. Ik dring aan: ’ Hé Leonie, wat doe ik hier nou fout?’
‘Hou nou maar op Jee, jij doet helemaal niks fout. Het zit gewoon niet zo lekker tussen mij en Gerda.’
Leonie vertelt dat ze met drie zussen zijn. Een woont er in Alkmaar en Gerda en zij wonen tegenover hun moeder. Dat de oudste, dat is die in Alkmaar woont, niks of niet veel doet, daar is nog in te komen maar dat Gerda zowat niks voor hun moeder doet, dat kan Leonie niet accepteren. In geuren en kleuren vertelt Gerda aan iedereen die het maar horen wil, welke vreselijke dingen haar moeder allemaal overkomen. Maar als er handelend moet worden opgetreden zegt Gerda, dat ze geen bloed kan zien of dat ze er niet tegen kan als haar moeder een paniekaanval heeft of als ze het benauwd krijgt. Dan is Gerda dus niet thuis.
Ik was vorige week niet op het koor omdat ik kapot was, ik had drie nachten niet geslapen; onze moeder was zo slecht. Gerda heeft toen gewoon lekker liggen snurken. ‘Ze heeft hier zeker gezegd, dat ik er niet was omdat ik op mijn kleinkinderen moest passen?’
‘Ja, dat heeft ze gezegd, ja.’
Leonie zegt nog tegen me: ‘Snap je nou waarom ze ineens, zo nodig snoepjes moest gaan uitdelen?’

Gerda is inmiddels klaar met haar snoeprondje en komt weer bij ons aan tafel zitten. Aan ons tafeltje mijden we elkaars blikken; er wordt ook niks meer gezegd. Na de pauze nog een half uur zingen en dan naar huis. Op weg naar huis kan ik de zusters en hun moeder maar niet uit mijn hoofd zetten.

Pas als ik mijn huis binnenstap zijn ze uit mijn gedachten.

zondag 31 januari 2016

BOODSCHAPPENKARRETJE

Bij de Marskramer heb ik een boodschappenwagentje gekocht. Met dat ding kan ik tamelijk veel boodschappen tegelijk doen en met mijn goeie arm (links) achter me aan trekken.  Ik heb een tijdje met zo’n grote rooie boodschappentas van Bas van der Heijden mijn boodschappen gedaan maar dat was ten eerste heel zwaar sjouwen, want ik propte die tas wel helemaal vol (stom natuurlijk) en ten tweede moest ik toch nog om de andere dag naar de Jumbo. De Jumbo is de dichtstbijzijnde supermarkt voor mij. Dat karretje dat ik nu heb, stouw ik ook helemaal vol maar daarna hoef ik dan zeker drie dagen geen boodschappen meer te doen. Dat scheelt toch weer lekker!
Bij de Jumbo zijn ze trouwens ook bijzonder klantvriendelijk, want er wordt altijd speciaal een medewerker naar me toegestuurd om mijn gekochte artikelen uit mijn winkelwagentje voor de kassa neer te zetten en die vervolgens  in mijn boodschappenkarretje te doen. Dat is dan weer het voordeel van een lege, wapperende mouw. Alleen betalen moet ik natuurlijk wel zelf doen.

Om hier in de buurt een beetje ‘in te burgeren’ had ik begin september, toen ik hier kwam wonen,  besloten om bij het buurtkoor te gaan zingen en te gaan kaarten bij een jokerclub. Door mijn val, half oktober, is daar tot voor kort niet veel meer van terecht gekomen. Begin januari wilde ik weer beginnen met zowel zingen als jokeren maar dat viel me toch tegen. Met zingen merkte ik dat ik nauwelijks uithoudingsvermogen had. Een half uurtje kon ik meedoen en toen was ik uitgezongen. Ik schaamde me er wel een beetje voor dat ik zo snel zo moe was maar het was niet anders.
Zo ging het begin januari ongeveer ook met jokeren. De jokerclub kaart normaal drie uur per avond. Ik zat er al na een uurtje doorheen. Hele stomme fouten ging ik toen maken, zoals ‘aansluiters weggooien’. Ik dacht toen, ze zullen me wel een mietje vinden maar ik zeg gewoon, dat ik moe ben en me niet meer kan concentreren, dus dat ik er mee nok.
Sedertdien heb ik niet meer gejokerd.  Een paar jokeraars hebben me wel al gevraagd: ’Wanneer kom je weer jokeren, Jee?’ Nou, ik heb maar gezegd dat ik aanstaande woensdagavond weer kom, maar dat ik stop als ik merk dat ik moe word. Dat was geen probleem zeiden ze:  ‘Logisch toch, met jouw kwetsuren.’
Dus ik zie wel wat dat wordt.
Bij het koor zing ik overigens weer full-time mijn deuntje mee. Ik ben met mijn 65 jaar veruit de jongste van het koor en het bestaat nu uit vijfentwintig vrouwen en twee mannen. Er worden liedjes gezongen als ‘Daar bij die molen’, Een reisje langs de Rijn’, Land van Maas en Waal’, ‘Marina’, ‘Ik ben zo blij’, ‘de postiljon’. Speciaal voor de twee koormannen (Frans en ik dus) staat het lied ‘Jungen komm bald wieder’ op het repertoire; de eerste helft van dit lied wordt door het hele koor gezongen; de tweede helft zingen Frans en ik alleen … zeer spannend telkens weer … want ik kan eigenlijk helemaal niet zingen … en Frans eigenlijk ook niet …
We zingen nu nog in buurtcentrum Prinsenhof. Over een maand gaat dat sluiten en wordt er gezongen in het nieuwe buurtcentrum met een nieuwe naam: ‘Alexanderhof.’ Mensen van het koor hebben het openingslied gecomponeerd voor  Alexanderhof en we gaan dat natuurlijk zingen ook.

Bij dat nieuwe buurtcentrum komt een nieuw zwembad. Daar zal ik voor mijn revalidatie veelvuldig gebruik van gaan maken. 

zaterdag 30 januari 2016

PRETOOGJES

De chirurg trekt opvallend wit weg als hij de stijfheid van mijn hand, vingers en pols voelt. Hij stuurt me onmiddellijk naar fysiotherapie. Het lijkt wel of hij zich er ineens van bewust wordt een fout gemaakt te hebben. Hij zegt niks, kijkt me verder niet aan en geeft me de verwijzing naar de revalidatieafdeling. De revalidatiearts zegt tegen me dat chirurgie mij veel te laat heeft doorgestuurd: ‘Dat had zeker 6 weker eerder moeten gebeuren.’
Nu is het moeilijk werken voor de fysiotherapeuten en zwaar voor mij als patiënt. De revalidatiearts gaat hierover praten met de chirurg. Leuk voor de volgende patiënten maar niet voor mij.
Vanaf begin januari moet ik een hele dinsdagmiddag naar fysio. Ik krijg vanzelfsprekend allerlei oefeningen, om die schouder, arm, pols en hand soepeler te laten bewegen en …  wat volgens een van de therapeuten ook belangrijk is: ik moet weer ‘vrienden’ wordt met mijn rechterhand. Ze heeft wel gelijk want ik heb onderhand een bloedhekel gekregen aan dat klote-ding onderaan mijn rechterarm, waar ik niks mee kan, dat dubbel zo dik is als normaal en aanvoelt als een kale dooie rat. Omdat dat handje er altijd zo stom-zielig als een flauwgevallen tulp bijhangt, wordt er bij fysio een brace gemaakt. Mijn hand wordt door die brace in een rechte lijn gezet met m’n pols en m’n arm.

Vervoer op Maat is nog altijd niet geregeld, dus ik moet met metro en tram van Alexanderpolder naar Franciscus. Het is eigenlijk te gewaagd met mijn wankele evenwicht. Ik word er dood zenuwachtig van  maar ik heb ook geen zin om bij elk ziekenhuisbezoek 70 euro neer te tellen voor de taxi.
Gelukkig haalt en brengt mijn zoon Freek me als ik naar de chirurg moet. Maar elke week naar de fysio op en neer wordt voor hem een beetje te veel van het goede en terecht. Trouwens .. mijn broer Herman heeft me ook een paar goed geholpen als chauffeur.

Half januari krijg ik dan eindelijk Vervoer op Maat en dat betekent dat ik voor twee euro heen en weer van huis naar Franciscus kan reizen en wat vooral belangrijk is: ik kan nu veilig reizen. Geen geduw meer tegen mijn broze lijf in de metro en niet met slechts één beschikbare arm in- en uitchecken èn me tegelijk vasthouden in een wegrijdende tram.  Eindelijk reis ik zonder stress van en naar de fysio ... meestal wordt ik gereden in mooie glanzende taxi’s door vriendelijke, kalm rijdende chauffeurs.

Een ochtend moet ik nog naar de afdeling Neurologie in Franciscus. Voor een EMG-onderzoek, dat is om te weten te komen waar het nauwelijks functioneren van mijn hand, pols en arm precies vandaan komt.  Verpleegkundigen hebben er met elektroden en naalden naar gezocht en de baas van de afdeling Neurologie, Professor dr. den Ouden, vertelt mij na afloop van het onderzoek, met pretoogjes, dat ‘het’ hem eigenlijk wel mee valt: ‘Er is een grote kans op herstel, meneer Mastwijk.’

‘Maar een grote kans, is nog geen zekerheid, meneer Pretoog,’ vrees ik.

vrijdag 29 januari 2016

KERST 2015

Maar liefst vijf eetfestijnen heb ik, alles bij elkaar dit jaar met de kerst. Wat dat betreft mag, ik niet mopperen. Dat zal waarschijnlijk nooit meer voorkomen. Twee diners waren georganiseerd in de Prinsenhof, dat is het buurthuis waar ik doordeweeks (van maandag t/m donderdag) ook regelmatig eet. Er was op 23 december een gratis diner (betaald door de Jumbo) voor minder draagkrachtigen en voor hen die in 2015 alleen waren komen te staan. Bij die laatste groep werd ik ook gerekend. Door de scheiding.

Er was in Prinsenhof op 24 december een vijfgangendiner waar 18,50 euro voor betaald moest worden. Dat was een vijf sterren diner. Verrukkelijk. Samen met mijn op één na oudste zus, haar echtgenote en haar schoonmoeder hebben we heerlijk zitten schranzen. Het was voor mij niet altijd even makkelijk alles in behapbare stukjes op mijn vork of lepel te krijgen. Snijden was voor mij absoluut nog onmogelijk maar gelukkig zitten er steeds mensen bij mij aan tafel die graag het vlees en wat dies meer zij klein willen snijden.

De eerste kerstdag was ik bij vrienden in de Rotterdamse Provenierswijk en de tweede kerstdag in Ommoord bij mijn op een na oudste zus en haar echtgenote ... mijn jongste broertje was daar trouwens ook bij. Zowel mijn zus als mijn vrienden waren op het lumineuze idee gekomen om eens lekker te gaan gourmetten. Kosten nog moeite waren gespaard: volop vlees, kip, groenten het kon niet op.  Ook hier werd mij weer van alle kanten hulp geboden om mijn voedsel tot hapklare brokken te verwerken.
Na het eten op de tweede kerstdag, hebben we met zijn vieren nog gezellig staan te sjoelen. Het val trouwens niet mee: sjoelen met links. Ik vond het wel sportief, dat de anderen ook één beurt de sjoelstenen met links schoven.

Ondanks dat het eten lekker was en de sfeer gezellig, stierf ik wel constant van de pijn, gedurende al dat lekkere eten. Ik heb dat natuurlijk niet zitten uitschreeuwen maar ik voelde dat mijn gezicht vertekende. Mijn jongste zoon vond dat er blijkbaar nogal grappig uit zien; hij moest er tenminste even hartelijk om lachen ... hij wist waarschijnlijk niet dat het mijn pijn-gezicht was.

Op de derde kerstdag, de zondag na kerstmis, was het hele gezinnetje van Jos en Winny weer even herenigd: Jos en Winny dus, Freek en Sarah, Ralf, Ilona en kleinzoon Bent. We begonnen de dag met elkaar wat cadeaus te geven. Ik deed zelf wat mooie kalenders cadeau … en kreeg een leuke foto met mijzelf en Bent erop afgebeeld (ik met angstig gezicht want mijn kleinzoon dreigt op mijn gewonde arm te gaan timmeren). Bent kreeg mooie voorleesboeken en ik  een waanzinnig lekkere jonge jenever van het merk Zuiddam, niet vergeten: Zuiddam, de lekkerste jenever, die ik ooit dronk.
Winny, Sarah en Ilona hadden voor allerlei smakelijk eten gezorgd. Het was alleen jammer, dat schoondochter Ilona in de loop van de dag ziek werd en zelfs met koorts op bed moest gaan liggen.

Zonder Ralf e n Freek was deze derde kerstdag überhaupt niet mogelijk geweest voor mij. Zij hebben me heen en weer gebracht van Alexanderpolder naar het Oude Noorden. Hartstikke tof, want met mijn kwetsbare schouder en arm durf ik niet in het openbaar vervoer. Ik ben bang dat ik mijn evenwicht verlies of dat medereizigers tegen me aan botsen en dat dan de boel opnieuw breekt en er weer geopereerd moet worden. Ik ben echt een bangerik geworden.

woensdag 27 januari 2016

OPENGEBARSTEN

Het móét wel, het kan helaas niet anders: elke ochtend en avond het ritueel van begeleid aankleden, uitkleden en douchen. Ik ben er hartstikke blij mee, daar niet van, want er zit momenteel zó weinig rek en buigzaamheid in mijn lijf dat het me zonder hulp absoluut niet zou lukken. Het is wel vreemd … ik, samen met die zorgthuisdame …  in mijn blootje  in me eigen badkamer … nou ja, vreemd … alleen ín het begin was het eigenlijk maar vreemd … toen voelde ik me wel héél erg in mij nakie staan. Op den duur worden we goede maatjes, ik en de zorgthuisdames Brenda, Marja, Linda en Thea. (Er komt er natuurlijk steeds maar één tegelijk bij me langs.)  ‘s Ochtends zijn ze meestal een beetje aan de late kant en  ’s avonds juist weer een beetje te vroeg: steeds om en nabij half tien. Gemiddeld zijn ze zo’n 15 tot 20 minuten met me bezig. Behalve aan- en uitkleden, doen ze ook tandpasta op mijn tandenborstel, knijpen ze zalf voor mijn eczeem uit de tube (smeren doe ik zelf wel!) en ze doen een of ander stom klusje, dat ik nu zelf niet kan zoals de deksel van een jampot losdraaien.
Een van de dames, Thea was het, vindt het maar raar, dat ik ’s nachts geen onderbroek draag. Ik vertel haar, dat ik dat doe, omdat ik niet met een onderbroek met urineresten van de hele dag wil slapen. ‘Nou,’ zegt Thea, het bijdehandje, ‘dan vind ik het niet kloppen, dat u de hele week in dezelfde pyjamabroek leg te stinken!’ (Thea was brutaal!)

Er komt een dame van de Gemeente Rotterdam bij me langs die Vervoer op Maat en thuishulp (voor de schoonmaak van mijn huis) voor me kan regelen. (WMO). Het is nu half december en jammer genoeg zal het begin volgend jaar pas echt geregeld zijn. Maar goed … het is in gang gezet.

Ondertussen verrek ik nog steeds van de pijn. Niet aan mijn arm of schouder, daarmee gaat het, geloof ik, wel de goede kant op. Maar mijn rechterhand, waar ik dus he-le-maal niks mee kan, is wel minstens twee keer zo dik als normaal. Ik ben bang dat ie nog eens explodeert.
Bij die val in oktober is ook een zenuwcentrum geraakt en beschadigd. Dat zenuwcentrum stuurde mijn rechterarm en hand aan maar doet nu volgens mij helemaal niks meer.
Ik ben er speciaal nog eens extra voor naar het Franciscusziekenhuis geweest. Met een zelf betaalde taxi (35 euro heen, 33 euro terug).
Ik zeg daar tegen de chirurg dat ik bang ben voor een openbarstende hand … daar moet ze een beetje om lachen:
Nee’, meneer Mastwijk, daar hoeft u niet bang voor te zijn maar u moet er wel rekening mee houden, dat het herstel van die zenuwen heel lang gaat duren. Die zenuwbanen  herstellen namelijk maar één millimeter per dag. Gaat u maar na, uw arm is ongeveer 55 à 60 centimeter lang, het herstel zal dus om en nabij de 600 dagen, bijna twee jaar dus, duren.’
Dat was nog eens bemoedigende informatie.

Gelukkig is december 2015 een lentemaand. Geen gladdigheid. Bij gladde wegen was ik absoluut niet naar buiten gegaan. Maar ook bij heftige wind waag ik me niet buiten. Ik voel me niet in evenwicht met die arm in het verband en die soms wild wapperende lege mouw van mijn winterjas. Ik zie me zo omver geblazen worden.
Nog meer kwetsuren oplopen voor de feestdagen 

dinsdag 26 januari 2016

MORFINE

Eindelijk ben ik dan geopereerd.  Ik lig in het ziekenhuisbed. Mijn rechterarm en –schouder stevig ingepakt en tegen mijn lijf gebonden … geen gips. Bel de verpleegkundige, omdat ik lig te sterven van de pijn. Ze komt … maar alleen om me te zeggen dat ik geen pijnstillers meer krijg: ‘U heeft al meer dan genoeg morfine gehad.’
Van de pijn kruip ik door mijn bed en dool ik door mijn kamer. Slapen kan ik die eerste nacht na de operatie niet. Toch sta ik opeens plompverloren op een voor mij onbekende plek … ik herken niks maar in de verte hoor ik wel stemmen. Daar loop ik op af.
‘Maar meneer Mastwijk, wat doet u hier ?’ Het is een verpleegkundige, die ik niet ken.’ We waren u al kwijt! Ik zal u weer snel naar uw bed brengen?’ Heb ik toch blijkbaar even geslapen en ben in mijn slaap gaan wandelen. De tweede nacht ook:  volop  pijn en vrijwel zonder slaap … vrijwel …  want ik heb wèèr geslaapwandeld en ik word dwalend op een mij totaal onbekende afdeling van ziekenhuis wakker, bij een verbaasde zuster, die meteen met me op zoek gaat naar mijn bed.
Op de derde dag hoor ik dat ik al naar huis moet. Ze weten dat ik met mijn rechterarm en -hand helemaal niks kan en dat ik alleen in een flatje woon, dus zullen ze de nodige hulptroepen voor me moeten laten aanrukken.
De familie doet boodschappen, maakt de boel enigszins  ‘aan kant’ en komt zo af en toe koken. Er wordt professionele hulp geregeld om  me aan- en uit te kleden, te douchen en mijn huis schoon te maken.  Voor de inwendige mens ben ik verder afhankelijk van kant-en-klaar maaltijden van de Jumbo en een goedkoop buurtrestaurantje, waar ik (van maandag tot en met donderdag) voor 4,50 euro een lekkere maaltijd kan scoren en als ik er een soepje bij wil kost dat een euro extra; ook nog een toetje d’r bij?  … dan wèèr een euro extra.
De eerste nacht thuis. Ik val meteen in slaap. Prima! Maar toch gaat het fout: … (dat hadden ze bij dat ziekenhuis toch ook kunnen bedenken gvd) … ergens, ik vermoed midden in de nacht, word ik, op een half uur lopen van mijn huis, wakker … in de regen, in mijn pyjama, op mijn sokken, met mijn verse operatiewonden in dat nu natte verband … heb ik godverdomme wèèr geslaapwandeld. Ik weet gelukkig wel waar ik ben en ga  terug naar het flatgebouw waar ik woon. Ik heb geen sleutel van het flatgebouw bij me. Dus ik kan er niet in. Brutaalweg bel ik maar aan bij een van de twee buurvrouwen die ik ken. Ja, wat moet ik anders … ik vraag of ze wil opendoen, ik heb geen sleutel bij me, zeg ik.
‘Weet je wel hoe laat het is’, krijst ze haast door de intercom. ’Geen idee,’ zeg ik eerlijk.
‘Vijf uur!!’
‘Ja, ik vind het ook klote … wilt u alstublieft toch opendoen, ik heb het zo koud.’
Ze doet open en ik mag bij haar binnen komen.
Ze hoort mijn verhaal  tollend van de slaap aan. Vindt het maar raar. Het is ook raar.
Via haar balkon  wil ik op mijn balkon zien te komen en via mijn niet afgesloten balkondeur mijn huis binnengaan.
‘Je doet maar’, zegt de buurvrouw… Met mijn gewonde lijf klauter ik over het balkon .. het gaat Godzijdank allemaal goed. Als ik mijn huis binnenloop, zie ik dat mijn voordeur open staat. Ik ben verdomme gewoon slapend mijn huis uitgelopen, zonder de deur achter me dicht te doen. Ik woon vier hoog … geen idee of ik lopend of met de lift naar beneden ben gegaan … er is geloof ik geen vreemde binnen geweest … half zes is het inmiddels ……. Ik durf niet meer te gaan slapen ... misschien ga ik dan wel weer op stap ….om negen uur bel  ik mijn zus Manda … vertel  haar wat er gebeurd is … ze komt zo snel mogelijk naar me toe …we gaan naar de dokter … die verhoogt mijn  slaapmedicatie en zij (de dokter) vindt het een goed idee als er de eerste paar nachten  elke nacht een broer of zus bij me komt waken om zo te voorkomen dat ik slapend mijn huis uit piep.
Dit heeft tot gevolg dat ik heel licht slaap maar wel per abuisl ineens in  mijn eigen slaapkamer ga staan te zeiken.  Dat met die broers en zussen (Lidy, Herman en Manda) als wakers is geen oplossing. Ze hebben allemaal hun eigen gezin, moeten naar hun werk. Dit moest professioneel opgelost worden. Samen met mijn psych wordt er een professionele oplossing gevonden: ik word opgenomen in een verpleeginrichting voor ouderen (BAVO Binnenweg). Nog één keer slaapwandel ik en nog één keer pies ik daar de boel onder. Bij de BAVO hebben ze al snel het vermoeden dat het slaapwandelen (en het piesen) veroorzaakt wordt door de grote hoeveelheid morfine in mijn lijf. Morfine wordt bij de BAVO tot hele kleine proporties teruggebracht. Voor de zekerheid heeft BAVO me nog vier weken gehouden om er zeker van te  zijn dat er niet stiekem  nog wat anders speelt. (Dementie of zo)

Twee december mag ik van de BAVO weer naar mijn eigen appartementje. Alle hulptroepen konden weer aanrukken.