Pageviews van de afgelopen week

Posts tonen met het label stotteren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label stotteren. Alle posts tonen

maandag 30 maart 2026

DE WARE LIEFDE

 Ik heb nu al bijna tweeëntwintig jaar geen moeder meer. Althans geen moeder meer in levende lijve. In juni 2004 is ze overleden. Vraag me niet waaraan ze precies is overleden want dan ga ik stotteren … kom, laat ik toch een poging wagen: ze had een paar tia’s gehad ze begon te dementeren, toen kreeg ze nog een tia en toen gaven ze haar in het verpleeghuis de pijnstiller morfine en daar is ze heel langzaam aan dood gegaan. Vijfenzeventig is ze geworden. Ik was toen vierenvijftig.

De eerste twintig jaar van mijn leven was ma mijn idool. Ik deed alles voor haar en zij deed alles voor mij. Ik was haar oudste zoon (van een gezin met in totaal tien kinderen). Ik was haar oogappel, werkezel, boodschappenjongen  en vertrouwenspersoon in gezins- en familiekwesties. Het zal wel een bijzonder soort liefde geweest zijn, die liefde tussen moeder en haar oudste zoon. Het was vanzelfsprekend een liefde zonder een spoor van lichamelijk contact.
Carole gooide mij wel eens voor de voeten dat ik pas tevreden zou zijn als onze echtelijke relatie net zo zou worden als mijn relatie mijn moeder. Was de relatie tussen
 mij en mijn moeder dus geheel zonder lichamelijk contact, de echtelijke relatie tussen Carole en mij was vrijwel geheel zonder lichamelijk contact. Dus op dat gebied ontliepen die relaties elkaar niet zo veel.

'Alles’ voor elkaar over hebben klinkt ook wel erg ruim. Wat zit er in dat ‘alles’ voor mij?
Mijn zusjes bezig houden als ma het druk had met huishoudelijk werk.
Met mijn zusjes naar het Kralingse Bos gaan als het lekker weer was, dan kon ma haar zwakke moeder, onze lieve oma,  lekker een dagje gaan helpen.
Voor haar zus, mijn tante Lenie, boodschappen doen, want die had zulke drukke kinderen en haar man zat in de continudienst dus die kon ook geen boodschappen doen.
Geld voor haar te leen vragen bij mijn opa, (de vader van mijn pa) om brood en suiker te kunnen kopen.
Later, toen er steeds meer broertjes en zusjes bij kwamen, ging ik ook wel lopen stoffen en stofzuigen. Gras maaien deed ik ook. Dat vond ik wel leuk.
Voor mijn jongste vier broertjes was ik behalve grote broer, ook een halve vader. Ik gaf ze de fles, verschoonde hun luiers, deed ze in bad, bracht ze naar bed en deed overdag allerlei leuke dingen met ze van zwemmen tot voetballen.

Ma had ook ‘alles’ voor mij over, schreef ik. Wat dan wel?
Er was nauwelijks geld. Mijn vader verdiende nog niet eens genoeg geld om een vrouw met één kind te onderhouden. Laat staan een vrouw met tien kinderen. Ze leent her en der geld zodat ik met een studie kon beginnen. Klasse.
Net zo ging het met die brommer. Ze kocht een brommer voor me. Op afbetaling. Elke maand vijftig gulden. Die kon ze absoluut niet missen. Iedere jongen van zestien had een brommer. Ik dus ook, vond ze. Het was een ontzettende kutbrommer. Dat heb ik haar maar nooit gezegd.
Ook dat camelkleurige colbertje wilde ze persé voor me kopen. Iedere jongen op de hbs, waar ik toen op zat, had zo’n jasje.
Ze gaf mij met eten altijd van alles het meeste: vlees, groente. Ik moest er nog van groeien en hard studeren … (die anderen zeker niet dan??)


Ik leerde door haar goede zorgen zo goed dat ik in Utrecht kon gaan studeren van een ruime studiebeurs. Ik kreeg toentertijd een leuke vriendin, Carole,  door wie de verhouding met ma rigoureus veranderde. Carole was mijn nieuwe idool … niet zo leuk voor ma … maar ja  … Carole was de ware liefde. 


Lieve lezer, 

stukjes van mij zijn al vele jaren te lezen via de volgende link:

stukkiejee.blogspot.com


vrijdag 25 maart 2022

DERTIEN

Zondagmiddag, één uur. Z'n mobiel trilt. Ton heeft weekenddienst dus het zal wel een klant zijn. Hij moet inderdaad op pad. Een verstopte plee, aan de andere kant van de stad. Hij mag dit probleem oplossen. Dertien uur gemiddeld per dag werkt hij. Als het enigszins mogelijk is pakt hij de best betaalde diensten: weekenddienst, avonddienst en nachtdienst.  Hij is altijd stand-by. Kan hij makkelijk doen als vrijgezel. Misschien komt hij dan ooit nog eens uit de schulden.

Ton heeft altijd prima baantjes . Hij verdient ook goed; al is het alleen maar omdat hij vrijwel altijd en overal bereid is tot zwaar, goor, over-, avond-, nacht- en weekendwerk. Hij houdt het jammergenoeg meestal niet zo lang uit bij een baas. Of hij vindt het baantje te saai, of zijn baas gooit hem er uit. Nu is dat laatste niet zo erg vreemd want Ton is gek op geld, of dat nu van hemzelf is of van zijn baas. Als postbode steekt hij de ontvangen gelden van de rembourspoststukken in zijn eigen zak. Ook als ijsboer houdt hij meer van de omzet achter dan hem toekomt.

Een bijzonder vrolijk mens, die Ton. Altijd kwinkslagen en woordgrappen. Je kan echt met hem lachen.

Hulpvaardiger dan hij, is er geen een. Nooit het hoogste woord in grote gezelschappen. Eerder een beetje teruggetrokken dan. Ben  je sámen met hem, dan kan je lekker met hem kletsen en lol maken. Ton stottert gewoonlijk nog,  net zo erg als hij van jongs af aan al deed. Maar in zo’n onderonsje, praat hij zonder haperingen.

In de twintig jaar dat hij nu werkt is Ton nog geen dag werkloos geweest. Ontslagen of ontslag genomen: de andere dag heeft hij alweer wat anders. Dat moet ook wel want stilzitten is niks voor hem. Familie en vrienden maken daarvan ook steevast misbruik: er valt altijd wel wat te klussen voor hem. Dat doet hij overigens met veel plezier.

Ton is erg mager. Altijd al geweest. Maar de laatste weken vermagert hij wel heel erg. Zijn gezicht gaat met de dag meer gelijkenis vertonen met het benige masker van een heroïnejunk, terwijl ik er van overtuigd ben, dat gokken,  roken en werken zijn enige verslavingen zijn. Hij wèrkt gewoon te hard bij dat rioleringsbedrijf. Ton verzorgt zich niet goed en eet niet voldoende. Voor het bereiden van een goede maaltijd gunt hij zich gewoon geen tijd.

Ton zit veel te veel in dat Casino. Dáár eet hij ook. Hij moet er niet aan denken een fractie te laat te komen aan de roulettetafel. Dat de ‘dertien’, die hij altijd speelt, net voordat hij kan inzetten valt. Hij hap-slikt de kroketten weg en gaat jachtig richting goktafel. Géén oog voor zijn omgeving. Het zit tegen. De ‘dertien’ valt geen énkele maal. In nauwelijks een uur tijd is zijn dagloon verdampt. Blut. Ná de nieuwe klus straks kan hij weer fiches kopen.  Weliswaar met het geld van de baas. Dat wel. Maar hij gaat tòch winnen. Zeker wéten. Dan krijgt de baas zijn geld gewoon terug.

Dadelijk, na middernacht,  is hij weer stand-by. Dat duurt nog wel heel even. Onrustig doorzoekt Ton zijn zakken. Misschien zit er ergens nog wat geld. Helaas niet. Gelukkig  vindt  hij nog wel een plukkie shag, dat is genoeg tot straks.

 

Eerder gepubliceerd op 6 juni 2009