dinsdag 7 oktober 2014

OPA & OMA (22)

Op het politiebureau vertelde Joop, dat hij eergisteravond, nadat hij voor zijn woonhuis uit zijn auto was gestapt, finaal in elkaar was geslagen. Buurman Klaas vult zijn verhaal aan en meldt de dienstdoende politieman, dat hij de heren die Joop mishandelden, had herkend. Het waren de gebroeders Albert en Hendrik van Ooijen. Ze waren allebei makkelijk te herkennen: Albert had een hazenlip en trok met zijn linkerbeen en Hendrik had enorme flaporen. Bovendien had Klaas de stemmen herkend van de broers. Ze riepen om beurten  iets naar Joop, toen ze wegliepen. Klaas had niet precies verstaan wat ze zeiden. Joop ook niet trouwens, die lag groggy op het trottoir.

De politieagent ging hier nu eigenlijk zijn boekje een beetje te buiten, maar hij vond het toch nodig om Klaas en Joop te informeren. De gebroeders van Ooijen waren namelijk een paar weken terug op het politiebureau geweest om aangifte te doen tegen de heer Joop Kikkerds, u dus. De aangifte luidde, dat Joop twee neefjes van de van Ooijens had betast. Er is toen gevraagd of de neefjes hun verhaal zelf mochten komen doen op het bureau. Dat mocht. Een van de neefjes vertelde eerlijk, dat ze Joop eerst wel een beetje hadden lopen zieken door in zijn autootje te blijven zitten. Wat er toen gebeurde … de neefjes waren er nog steeds een beetje overstuur van  … ze druk toen het over het betasten ging. Joop had ze bij hun kruis gepakt. Daarna had Joop een van de neven, opgepakt, hem strak om zijn middel beetgehouden en hem met zijn kont tegen zijn pik aan gedrukt. Dat was wat hun verhaal.
De politieagent zei al tegen de van Ooijen dat het zwakke van dit hele verhaal was, dat het  hun woord is tegen dat van Joop. Met andere woorden er waren geen getuigen. Hoewel … de politieagent aarzelde … het zou kunnen zijn, dat in het geval van de twee neefjes, de een getuige zou kunnen zijn voor de ander. Dat laatste bleek onmogelijk te zijn, omdat de neefjes minderjarig waren en minderjarigen mochten niet getuigen. Voor de jongens zou deze zaak heel moeilijk te bewijzen zijn. Voor de politieagent, die alsmaar verder zijn boekje te buiten ging, was het meteen duidelijk, dat die van Ooijens het heft wel even in eigen hand zouden nemen. Terwijl de kinderen aangifte deden, verscheen er een steeds agressiever wordende grimas op die koppen van de van Ooijens. De politieagent dacht meteen al, toen hij dat zag, dat dat niet veel goeds zou voorspellen. Zeker niet voor ene meneer Joop Kikkerds. De politieagent lachte even. Wat was Joop lelijk te grazen genomen. Maar daar lachte de agent niet om. Het was fijn dat Joop een getuige had, die gezien had, dat het de gebroeders van Ooijen waren, die wat tikjes aan uitdeelden.


Meneer van Houten kwam thuis van zijn werk. Hij was notaris: testamenten, erfenissen, huwelijkse voorwaarden, enzovoorts. Een gouden business. Tegen zijn vrouw vertelde hij dat een van de meisjes op kantoor binnenkort zou gaan trouwen met de assistent notaris van het notariaat. Ze zou samen met haar man op de Burgemeester Knappertlaan gaan wonen. Dat meisje woonde in Wattstraat, een heel leuk woninkje, voor niet al te veel geld.  Hij vroeg zijn vrouw of dat huisje misschien wat zou zijn voor Maria en Kareltje. Ze dacht van wel maar Maria zou toch eerst iemand moeten vinden, die de kost voor haar en Kareltje zou willen verdienen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten