zaterdag 18 oktober 2014

OMA & OPA (32)

Na Engeltje is het een stuk voorspoediger gegaan in huize Kikkerds, qua kinderen krijgen althans. Vijf gezonde meiden heeft Maria gebaard tot 1930. Vele jaren ging het goed totdat er wrijving ontstond tussen Karel, die inmiddels 18 jaar was en Joop, zijn stiefvader. Hij was echt een moederskindje, Karel. Voor vrijwel alles wat hij nodig had of wilde weten ging hij naar Maria, die hem meestal ook wel kon helpen. Ook discussieerden Maria en Karel vaak, met elkaar over de politiek, Karel haatte Hitler, die sterk in opkomst was. Zijn stiefvader Joop liet meer zijn oor hangen naar de woorden van de pastoor, die preekte dat Hitler zo kwaad nog niet was en dat we altijd en overal de Joden in de gaten moesten houden.  Maria vond Hitler ook een gevaar en Joden vond ze erg zielig in deze tijd; ze kregen overal maar de schuld van, dat klopte natuurlijk niet en ze vond dat oneerlijk. Zo waren Maria en Karel nog al eens met elkaar bezig en dat was iets wat Joop niet zo lekker zat. Dat uitte zich bij Joop  in eerste instantie, door met een stuurs gezicht in zijn fauteuil te zitten en irritant op de stoelleuning te gaan zitten trommelen. Hij zei verder niets. Het was alleen hinderlijk voor Maria en Karel.  Later zette hij de radio aan, ze hadden distributie, en vroeg, of liever gezegd commandeerde dat ze moesten stoppen met hun gesprek (‘gezeik’ zei hij op den duur) omdat hij anders zijn muziek niet kon horen. Karel en Maria gaven hem zijn zin maar. Tot nu toe raakte Joop met zijn getreiter zowel Maria als Karel. Op een dag verzon Joop de regel, dat Karel zijn schoenen bij de voordeur uit moest doen, omdat hij toch wel behoorlijk veel vuil van de straat mee naar huis bracht. Uit die kleine dingen bleek wel dat Joop de goede band tussen Maria en haar zoon niet zo op prijs stelde. Joop voelde zich tekort gedaan. Joop was jaloers.

Het werd Karel steeds meer duidelijk dat de Rooms Katholieke Kerk geen hand uitstak om de Joden te helpen; de Kerk zou de Joden nog liever verraden. Karel ging altijd trouw naar de kerk op zondag maar nu hij zich bewust geworden was van de laffe houding van de Roomsen keerde hij de kerk de rug toe. Nooit meer op zondag naar de kerk.  Op de eerste zondag dat Karel niet naar de kerk ging, vroeg Joop hem naar het waarom daarvan. Zijn uitleg was duidelijk maar Joop accepteerde hem niet en hij eiste dat Karel de volgende zondag gewoon weer naar de kerk zou gaan. Toen Karel al bij voorbaat  kon zeggen dat hij niet zou gaan, pakte Joop de stok waarmee hij Karel kon slaan: ‘dan wil ik je niet meer hier in huis hebben; je zoekt dan maar wat anders.’ Karel zweeg en ging de volgende zondag richting kerk. Hij ging de kerk niet in maar ging zitten op een bankje in het plantsoentje voor de kerk. Hij rookte een sigaretje en zat te lezen in ‘Puntila’ een boekje geschreven door Bertold Brecht over de goede en de slechte mens, verenigd in één persoon. Er kwam iemand naast hem zitten, Karel keek hem aan. Het was Joop. ‘Zo jongen,’ zei hij met een valse grijns, ’jij snapt toch zeker wel dat het nu over en uit is, hè?’’

Geen opmerkingen:

Een reactie posten