zondag 5 oktober 2014

OMA & OPA (20)

‘Bedankt buurman,’ zei Joop.
‘ja, ik kon je toch niet midden in de nacht in die plas bloed laten liggen,’ zei Klaas. ‘Ik ga zelf nu weer naar bed, als je nog wat te eten wil moet je het nu zeggen ……o, dat vergat ik even,  je kan niks zeggen … nou, knik maar  ‘ja’ en schud maar ‘nee’ als antwoord op mijn vragen,’ zei Klaas. Aan het einde van het liedje wilde Joop alleen maar wat drinken. Klaas gaf Joop een glas cola met een flinke scheut jonge jenever in de hoop dat daardoor Joop zijn pijn wat zou gaan liggen en dat hij snel in slaap zou vallen.  Het was nu half drie . Klaas ging weer naar boven, naar zijn eigen kamer. Hij zei tegen Joop dat hij morgenochtend vroeg rond een uur of acht weer terug zou komen. Dan zou hij eerst even bij Joop zijn huisarts langs gaan om hem te vertellen wat er met Joop gebeurd is. Joop had het begrepen en zwaaide zoiets als welterusten.
Slapen kon Joop voor geen meter. Het enige dat hij zonder pijn kon doen, was knipperen met zijn ogen, voor de rest deed alles, echt alles pijn. Gore lafbekken waren het. Met z’n tweeën nog wel; en maar rossen. Ik mag geloof ik blij zijn, dat ik nog leef.  Die klootzakken zeiden geen stom woord, anders had ik misschien hun stemmen nog kunnen herkennen. In het begin, dacht ik, dat ze het gemunt hadden op mijn auto, hoewel, eigenlijk was het  natuurlijk mijn eigen wagen niet, dit was de wagen van de zaak. Op mijn geld waren ze blijkbaar ook niet uit; dat hadden ze zo kunnen krijgen … dat kleine beetje van me.
Volgens Klaas waren het mannen van ‘van Ooijen’ van de Schiedamsche Kolenhandel op de Lange Haven. Die kolenhandel, die kende ik wel, daar heb ik wel een paar mud eierkolen besteld. Mannen met spierballen werkten daar. Maar waarom moesten die gasten mij nu zonodig hebben? Wat heb ik misdaan?  Toen ze wegliepen riepen ze nog wat. Dat kan ik me wèl herinneren maar wàt ze precies riepen? Zoiets als:  ‘je overleeft het niet’ … ze hadden mijn oren denk ik dichtgeschopt … ‘vuile viezerik’ …ja, vuile viezerik riepen ze ook naar mij. ‘Je overleeft het niet vuile viezerik.’ O jaaaa …… van Ooijen …..  was dat niet een broer van Hermus, van die religieuze boekhandel?
Het waren de kinderen van die Hermus die Joop destijds op zijn manier uit zijn wagen gezet heeft. De  boze boekhandelaar is daarna naar het politiebureau gestapt om daar zijn twee zoontjes te laten verklaren, welke onzedelijke handelingen Joop met hen heeft uitgevoerd.

Ze zullen het nooit kunnen bewijzen, dat die twee jochies gelijk hebben. Bekennen zal Joop nooit. Ja, nu had Joop het weer op een rijtje. De hardvochtige helden zeiden: ‘Als je nog eens een keer aan onze kinderen zit, dan overleef je het niet, vuile viezerik.’ Dat was duidelijke taal. Joop zal zich goed moeten leren beheersen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten