zaterdag 4 oktober 2014

OMA & OPA (19)

Om tien over half elf ging Maria naar de dokter. Ze had deze dokter voor het eerst nodig toen Kareltje van de trap viel en zijn arm brak (en Lidwien haar ribben). De dokter was toen zo vriendelijk om Kareltje naar het ziekenhuis  te brengen. Dit keer heeft ze de dokter zelf nodig. Ze heeft de wekker op acht uur gezet, dan zou ze genoeg tijd hebben om Kareltje te wassen, aan te kleden en eten te geven en ze zou nog voldoende tijd over hebben voor zichzelf. Mevrouw van Houten paste weer eens op die kleine.
De wachtkamer was druk bezet: er waren er zes vòòr Maria. Als het een beetje mee zou zitten, zou ze over dik een uur weer buiten staan. Alleen … deze dokter stond er om bekend, dat hij aandacht had voor zijn patiënten en dat kostte nogal wat tijd.

Na ruim een uur was Maria aan de beurt. Ze vertelde haar slaapwandelverhaal. Belangstellend hoorde de dokter dat aan. Hij was er van overtuigd dat haar traumatische ervaring, haar verkrachting, nog steeds opspeelde in haar geest. De daardoor oplopende spanning, uitte zich bij Maria in slaapwandelen. Dat is op zich al zorgwekkend; maar dat ze Kareltje verplaatste (verhuisde) tijdens haar slaapwandeling, had volgens de dokter een te hoge risicofactor. Dat moest koste wat kost voorkomen worden. Maria kreeg daartoe van hem trazodone voorgeschreven; een middel dat, spanningreducerend zou moeten werken. Ze kreeg een kuur van drie weken; elke dag drie tabletten. Na drie weken zou het afgelopen moeten zijn met dat geslaapwandel. ‘Kom na drie weken nog maar eens langs op mijn spreekuur,’zei de dokter.
De dokter vond dat Maria’s schuldgevoelens over Kareltje thuis horen bij een psychiater. Over die schuldgevoelens en haar verkrachting, die tot de conceptie van Kareltje leidde, zou zij het met psychiater moeten hebben. De dokter gaf haar een verwijsbrief mee. Maria moest zelf bellen voor een afspraak.
Tot slot stelde dokter nog een rare vraag, althans een vraag die ze niet meteen met ‘ja’ of ‘nee’ kon beantwoorden:
‘Heb je Kareltje onvoorwaardelijk lief?’
Moeilijke vraag.

Kort nadat Joop zijn laatste klapjes had geïncasseerd, kwam zijn bezorgde bovenbuurman Klaas kijken hoe hij er bij lag. Allesbehalve goed.  Het bloed gutste uit zijn mond en wat Klaas ook aanraakte alles deed Joop  pijn. Klaas moedigde hem aan te gaan staan, probeerde hem op te tillen. Het leek wel alsof al zijn botten gebroken waren, zo reageerde hij.
‘Ik heb gezien wie het waren Joop,’ zei Klaas, ‘die twee lafbekken.’ Het waren de gebroeders van Ooijen.’ Joop zei wel iets terug maar doordat zijn tong en zijn lippen kapotgeschopt waren, hoorde Klaas niets anders dan een onverstaanbaar gemurmel.  Met een uiterste krachtsinspanning probeerde Joop wel te gaan staan maar hij zakte als een plumpudding in elkaar. 

‘Zo’n klein mannetje als Joop zou ik toch een trap naar boven moeten kunnen slepen,’ dacht Klaas, die een kop groter was. Vragen aan Joop of hij het okee vond, daar begon Klaas niet meer aan. Onder veel tegenstribbelen, protesten en amechtig gekerm trok Klaas zijn benedenbuurman de trap op, legde hem in zijn bed en verzorgde de ergst verwondingen. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten