vrijdag 3 oktober 2014

OMA & OPA (18)

Een intens verdrietig huilend Kareltje wekte Maria uit een diepe slaap en wèèr lag hij niet waar hij zou moeten liggen maar hij lag onder de vensterbank naast de prullenbak. Het ventje was helemaal overstuur en voor Maria was er nu geen enkele reden meer om het bezoek aan haar huisarts uit te stellen. Ze was zich er weer totaal niet van bewust wat ze met haar zoontje had uitgespookt; gek wordt ze er van.
Het was midden in de nacht en ze waren allebei nog klaarwakker. Maria dacht dat Kareltje toch niet zou slapen, als ze hem nu gelijk weer in zijn bedje zou leggen. Dus nam ze hem maar even bij haar in bed. Dat werkte goed: binnen een paar minuten hield zijn gesnik op en sliep hij. Toen Maria hem daarna in zijn eigen bedje wilde leggen was hij ineens weer klaarwakker en zette het op een huilen.  Maria zong ‘Slaap kindje slaap ….’ en klopte hem ondertussen zachtjes op zijn kontje; toen was hij weer snel vertrokken.

Zelf kon Maria de slaap niet meer vatten. De angst voor het slaapwandelen hield haar wakker. Dat ‘verhuizen’ van Kareltje dat vond ze zo vreselijk.  Ze voelde zich schuldig tegenover haar zoontje.
Ja, zo heel in het begin had ze er zwaar de ziekte in gehad, dat ze zwanger geworden was. Maar later besefte ze dat dat wezentje in haar buik, het toch ook niet kon helpen  dat het door zo’n lompe schoft verwekt was. Vanaf het moment van zijn geboorte was bij Maria van weerzin tegen het ventje geen sprake meer. Een leuk, lief en mooi ventje vond ze haar Kareltje. Ze dàcht ook dat ze van hem hield en ze dàcht ook dat ze steeds meer van hem ging houden.
En dan nu wèèr dit gekmakende geslaapwandel …. Zou Maria dan toch niet ècht van hem houden … deed ze misschien maar alsof, om voor de buitenwereld goede sier te maken. Wilde ze in werkelijkheid niets liever dan Kareltje dumpen in een gedempte sloot. Natuurlijk wilde ze van hem af. Natuurlijk was je er nooit geweest, Kareltje, als die enorme klootzak me niet had verkracht.
Die kwellende gedachten moest ze uit haar hoofd zetten.  Driftig schudde ze haar hoofd. Krachtig  stompte Maria met haar vuisten op haar bed en zo hard ze kon schreeuwde ze: ‘Ik hòù van je Kareltje,’. Te horen aan de huilbui die Kareltje daarop kreeg, schrok hij zich het apenzuur van het geschreeuw van zijn moeder.
De huilbui die Maria daarna kreeg, deed haar snel in slaap vallen; haar zoontje was gelukkig snel bekomen van de schrik en lag al snel weer lekken te knorren.

Toen Joop voor zijn huis, de auto uitstapte, werd hij gelijk stevig ‘in de tang’ genomen door twee mannen, beiden een kop groter dan hij.  De ene hield hem vast en de andere stompte Joop waar hij hem maar raken kon. Hij werd ook herhaaldelijk in zijn kruis geschopt. Op een gegeven moment werd Joop losgelaten. Hij zakte toen in elkaar als een bord yoghurt, waarop de mannen om het hardst tegen Joop zijn voor- en  achterkant bleven schoppen … eigenlijk was ook hier het devies: raken waar ze hem maar raken konden.
Helemaal bewusteloos was Joop nog niet. Hij had tijdens deze rampartij geprobeerd zich zo goed en zo kwaad als het ging te beschermen.

De mannen vonden blijkbaar genoeg zo; ze wilden nog wat wel kwijt aan Joop: ‘Als je nog eens een keer aan onze kinderen zit, dan overleef je het niet, vuile viezerik.’

Geen opmerkingen:

Een reactie posten