woensdag 1 oktober 2014

OMA & OPA (16)

Kareltje deed in het grote bed van oma en opa zijn middagdutje. Joop en Rika waren nog steeds erg druk en lacherig. Wat die twee bezielde, was voor iedereen hier een raadsel. Maria moest bekennen dat ze jaloers was. Tuurlijk, Joop was in Maria’s ogen een grappige, actieve man en vandaag voelde ze zich genegeerd door hem.  Die twee waren nu ook weer de hort op: ze gingen wandelen in de Drunense duinen. Op de afgesproken etenstijd, vijf uur, zouden ze weer thuis zijn. Moeder zou ons lievelingsgerecht klaarmaken: runderlapjes, met gekookte aardappelen en sperziebonen. Als toetje zou ze grutjespap met rietsuikerstroop maken. Maria hielp de aardappelen schillen.
Pas om half zes, Maria en moeder hadden er behoorlijk de pest over in, kwamen Rika en Joop aan huppelen. Jammer van het eten; het lekkere was er nu vanaf.

Maria wil Rika even apart spreken.
‘Hé Rika, je bent wel lekker bezig met Joop, hè?’
‘Wat, hoezo, hoe bedoel je?’
‘Nou, zoals ik het zeg, je bent zo druk, lacherig, beetpakkerig … ben je Joop soms aan het versieren?’
‘Nou zeg, hoe kom je dáár nou bij, Maria? Ik vind een Joop een hertstikke leuk, lief menneke maar ik gun hem jou van harte, hoor. Voor mij is Joop gewoon iemand om lol mee te maken, meer niet. Verder val ik helemààl niet op hem.

Dan gaat iedereen aan tafel. Het eten was inderdaad niet  meer te vreten. De boontjes waren te veel doorgekookt, de aardappels papperig en de grutjespap was aangebrand. Alleen het runderlapje was door het langer sudderen waarschijnlijk iets lekkerder geworden.
In plaats van het grutjespaptoetje kon iedereen een mandarijntje nemen.

Op de terugweg keek Maria met een uiterst wantrouwige blik  naar Joop, die wel heel erg vrolijk de Radetzkymars zat te zingen, daarbij trommelde hij op het stuur van zijn auto. Rika zei niet op Joop te vallen maar Maria had de stellige  indruk dat dat voor Joop anders was. Maria zei er nog niks over tegen hem. Dat kwam nog wel. Met dit soort gedachtes toonde Maria wel aan dat ze toch wel een beetje om Joop begon te geven.

Kareltje was een makkelijke reiziger.  Op Maria’s schoot was hij al snel in slaap gevallen.  Maria vertelde Joop over haar gesprek van vanmiddag met haar moeder. Over haar onwelgevallige huisdieren in de slaapkamer van haar en Rita en dat ze die dieren al slaapwandelend  naar andere plekken in huis verhuisde. Ik kreeg pillen tegen het slaapwandelen, de dieren werden elders ondergebracht en het probleem was opgelost.

‘Okee,’ zegt Joop, wat is dan nu het probleem nog Maria?’
Ik dacht, dat ik het je al eens verteld had, dat Kareltje nu tot twee keer toe op onverklaarbare wijze uit zijn ledikantje is gekomen en ergens anders in huis is gevonden.
‘Zouden ze geen geintje met je hebben willen uithalen daar bij die familie van Houten?’ vroeg Joop.
‘Nee, dat kan ik haast niet geloven, zoiets gemeens zullen ze volgens mij nooit doen.’
‘Wat ik je nu ga zeggen, Joop weet je nog niet: een paar jaar geleden, ben ik verkracht en ik ben toen ook zwanger geraakt. De vader van Kareltje is die verkrachter.’
 Joop is er stil van.  Hij trekt een beetje wit weg.

‘Wat ik nu denk, Joop, is dat ik weer ben gaan slaapwandelen ’s nachts, Kareltje uit zijn bedje haal en hem ergens anders in huis neerleg. Ik ben zo langzamerhand steeds meer van Kareltje gaan houden en tegelijkertijd weet ik dat zijn vader een walgelijk monster is. Toch kan ik me haast niet voorstellen dat ik daarom Kareltje onbewust niet op mijn kamer zou dulden. Net als die huisdieren toen. Misschien slaapwandel ik ook wel weer. Misschien heb ik wel weer pillen nodig, Joop.’  

‘Nou Maria, dat verhaal klinkt wel heftig. Als ik jou was zou ik zo snel mogelijk met dat verhaal bij de dokter langs gaan.






Geen opmerkingen:

Een reactie posten