maandag 29 september 2014

OMA & OPA (14)

Daar keek Maria wel even van op. Joop als foute kindervriend … maar er wordt zovéél geluld … en als het werkelijk waar zou zijn, dan hadden ze hem toch allang opgepakt. Ze kent hem natuurlijk nog niet zo lang … in feite had ze hem maar één ochtendje goed meegemaakt, toen, in het Sterrenbos. Wat haar toen opviel aan Joop, was zijn wat kinderlijke gedrag naar Kareltje  … ja, Joop kietelde Kareltje ook zo af en toe, op zijn buikje maar daar zag Maria toen absoluut geen kwaad in.
Moet ze nou wel of niet met Joop naar Den Bosch gaan? Of moet ze eerst eens goed met hem praten. Ze staat echt in tweestrijd. Die roddels zomaar geloven? Zeker niet. Maar aan de andere kant: waar rook is, is vuur. Uiteindelijk hakt ze knoop door: zij en Kareltje  gaan samen met Joop in de auto naar Den Bosch en onderweg zal Maria de roddels voorleggen aan Joop. Ze zal dan goed op Joops gedrag letten.   

Mevrouw van ’t Hout kwam naar beneden: ’Wat zie je er toch weer beeldig uit Maria!  (Ze kussen elkaar) Nou, ik hoop dat je een fijne dag hebt’ De hele familie van ’t Hout komt Maria en Kareltje uitzwaaien.
Inmiddels is Joop ook gearriveerd. Mevrouw van ’t Hout pakt Maria nog even bij de arm en zegt met een betekenisvolle blik in de richting van Joop: ’Zal je voorzichtig wezen, Maria?’ Maria knikt, tilt Kareltje op en loopt naar Joop, die haar voorgaat naar de auto.
Al bij de eerste pontvaart over de Maas was Kareltje in diepe slaap. Het zou niet meevallen om het kereltje gedurende deze lange reis in haar armen te houden maar er zat niks anders op.
Joop liet met één hand zijn stuur los om Karel over zijn bolletje te kunnen aaien. Ondertussen spookte het alsmaar door Maria’s hoofd, dat ze  Joop wat moest vragen. Maria wist gewoon niet hoe ze erover moest beginnen. Misschien zou Joop wel woedend worden en zou hij Maria en Karel de auto uit zetten. Of Joop zou haar slaan. Nee, dat zou hij niet doen. Wie weet zou hij wel gaan huilen; dan zou hij misschien de macht over het stuur verliezen. Eindelijk: Maria stak van wal:
‘Joop, weet je dat er in Schiedam lelijke dingen over je gezegd worden? Ze zeggen, dat jij rare spelletjes speelt met jonge kinderen?’

‘Ik hoor de verhalen natuurlijk ook, Maria. (Joop praat nu veel sneller dan anders) Maar er is niks van waar; helemaal niks! Ik weet ook precies hoe die verhalen ontstaan zijn. Twee jonge broertjes, vijf en zes jaar oud, schat ik, van bij mij uit de buurt, hielpen wel eens bij het leeg maken van de auto. Als het werk klaar is, kruipt het jongste ventje uitdagend mijn auto in en net als ik die jongste er uit heb gegooid schiet de oudste van die gassies er weer in; die  kan ik er dan ook weer er uit tillen … (Joop stottert hier een beetje) en zo gaat dat spelletje een paar keer door, tot ik het zat ben en met stemverheffing zeg, dat ‘het nou afgelopen moet zijn’: wegwezen en gauw. Die jongens hebben toen aan hun ouders verteld, dat ik ze expres tussen hun beentjes heb beetgepakt en dat ik met mijn pik tegen hun kont aan heb geschuurd ... allemaal leugens natuurlijk. (Joop zijn stem trilt hier) De politie is  ook al bij me langs geweest drie weken geleden; ze hebben me als de grootste crimineel ondervraagd. Tot op heden heb ik er niks meer van gehoord … ze kunnen me niks maken. Snap je dat ik gek word van dat geroddel, Maria?!’

Geen opmerkingen:

Een reactie posten